Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

108

DE VEREENIGDE TIJDSCHRIFTEN

Glinka was ook uit een antochthonengeslacht, maar van adel, op een school voor jonkers gevormd, en nooit door geldzorgen gekweld, ofschoon toch blijkbaar eigenlijk niet rijk. Hij heeft zeker ook invloed van Duitsche meesters ondergaan, maar denkelijk vooral te Berlijn, bij zijn laatsten mentor Dehn, na studiën in Italië tijdens een verblijf tot genezing. Hij hield ook veel van Gluck (dien hij door Mozart en Beethoven goddeloos bestolen vond!) maar niet minder van Bach en Handel. Hij schreef ook memoires en iets, maar geen standaardboek, over orchestratie. Hij verschilde zéér van Berlioz. Terwijl die zich als internationaal dirigent en beredderend en succesbulletins redigeerend impressario weerde met eigen werk, deed hij niets voor zijn erkenning; zulke besognes liet hij graag over aan zijn propagator Cavoz, den Italiaanschen operaleider van Petersburg. „Je n'ai pas 1'habitude de colporter mes productions" zeide hij den ermee buitengewoon ingenomen Meyerbeer en kocht vogels voor zijn volière. Roeslan en Ljoedmilla werd twintig jaren na zijn dood uitgegeven door bemoeiing van zijn zuster. Hij was maar eens getrouwd, en heel kort, omdat hem 't huwelijk — zegt men — lastig viel in zijn gemakzucht; wel gedurig verliefd en dan geneigd om te liggen componeeren op zijn sofa, waar hij toch zelden tot den arbeid kwam. Hij, Rusland's muziekheilige, beklauterde volgens Richard Stein's boutade het hooge voetstuk niet met inspanning, maar ging eenvoudig op den vacanten troon een beetje zitten uitrusten, trok een mutsje met bonte kwast over zijn pruikebol, sloeg zijn beenen over elkaar en stak een sigaret op. Zijn monument heeft hem eenigszins anders afgebeeld, maar hij zou bij 't minste vermoeden dat hij nog eens te pronk zou worden gezet, liever niets gecomponeerd hebben, want hij was een Russische baron en had het niet noodig. Tschaikowsky heeft een dergelijk oordeel met bitterheid

uitgesproken, tevens over een omgeving waarin — zoo meende hij — Glinka leefde zonder besef van zijn kracht en van zijn plicht, als een dilettant muziek makend uit verveling. Zou 't rechtvaardig wezen? Wij zullen eer aan zijn Russisch alcoholisme gelooven dan aan zijn frivole luiheid die men zich met een door niets gestaafd betwijfelen van zijn ziekelijkheid gereedelijk laat beduiden. Hij was ernstig en ijverig genoeg om op zijn 52ste jaar nog eens bij Dehn in de leer te gaan: voor contrapunt maar speciaal voor de kerktonen die hij tot beter begrip der oude melodieën van zijn land wilde beheerschen. Resultaat is niet gebleken, want hij stierf tijdens dien tweeden cursus, tengevolge van kouvatten, wordt gemeld, maar Stein beweert: aan een door het drinken gekregen leverkwaal — die dus vadsige, niet meer jonge menschen energiek studeerlustig schijnt te maken. Twintig jaren vroeger had Dehn, inziende dat er niets te hopen viel van zijn Italiaansche, heel weinig persoonlijke manier (die hij natuurlijk niet ineens kon verbannen uit zijn spoedig daarna begonnen opera, zeker het minst uit haar ouverture) hem geraden het eens met een vaderlandsche proef te probeeren; zoo zou dan Rusland de geboorte van een eigen toonlitteratuur aan een Duitscher verschuldigd wezen. Men behoefde Berlioz niet te vragen om „cultuur" van Fransche muziek: die was er eeuwen; wel moest of mocht Nordraak tot Grieg zeggen: geef ons er een van Noorsche.

Maar kan ooit op advies en tot tijdverdrijf en spelenderwijs een nationale kunst geschonken zijn? Glinka zal hard gewerkt hebben, alleen naar ongewonen trant, door zijn aard en organisme vereischt en door zijn kring niet begrepen.

Hij zeide: het volk componeert, wij zetten maar. Hij meende 't misschien ook, al lijkt het een beminnelijke grap met een spoor van diepe waarheid. Maar hij deed meer. Volksmotieven goed assimileeren

Sluiten