Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

CAECILIA EN HET MUZIEKCOLLEGE

133

eeuwen, in de polyphone contrapuntiek der Nederlanders, deert overtuigde tonalisten en hun aanhang van theoretici niet; zij maken zich diets, dat die muzieken ver en ver minderwaardig waren aan die der jongste eeuwen en vinden steun voor deze opvatting in het Darwinistische evolutie-dogma, waardoor ook de musicologie der negentiende eeuw besmet werd. Het, overigens wel geoorloofde, beroep op de historie blijft daarom maar achterwege en instede daarvan wil ik liever pogen duidelijk te maken, dat het tonale gevoel een, uit het verleden overgeleverde, fictie geworden is. Nu zijn ficties weliswaar tijdelijk bruikbare momenten voor het muziek-scheppend vermogen — maar daarom is het nog niet juist op ficties wetten te baseeren om die dan alléén-geldend te verklaren voor alle tijden.

Het is wetenschappelijk experimenteel bewezen, het is een empirisch aangetoond feit, dat een toon substratum is van een hem inhaerente harmonie, deze weer natuurlijke emanatie van den toon. Het is daarom evenzeer vaststaand, dat in ons toonsysteem, met zijn getempereerde stemming, de harmoniën niet de natuurlijke emanaties zijn van hare fundament-tonen (hoe verder de harmoniën gesplitst worden, hoe meer tonen afwijken van hunne aequivalente natuur-tonen) en deze tonen dus ook niet hare substrata.

Het tonale gevoel was levend-reëel, zoolang men musiceerde in de natuurlijke stemming, en bovendien zich met de eenvoudigste harmoniën tevreden stelde. Het tonale gevoel werd fictief toen de kunstmatige, getempereerde stemming was inen doorgevoerd en men tevens gebruik ging maken van meer en meer gesplitste harmoniën. Daarmee was de wet der tonale functies theorie geworden, gebaseerd op de practijk van een historisch verleden *).

*) Volkomen consequent was ook de getempereerde stemming niet door te voeren. Al leert een zangeres intoneeren bij de piano, zoo kan een hoor-

Ons werd geleerd te werken met mathematisch-genormaliseerde toonsaf standen (de geest van Pythagoras waart nog immer als een beklemmende verschijning rond op het gebied der muziek-wetenschap), met een kunstmatig beperkt toonsysteem, volgens een wet aan het natuurtonenrijk ontdekt.

Nogmaals: met een fictie is zeer goed te werken, maar het is onjuist haar voor te stellen als een concrete realiteit aan welker wetmatigheid niet te ontkomen is, onjuist en willekeurig.

Ook oorspronkelijk was het tonale gevoel een willekeurig gevoel, in zooverre als het één toon als „den" grondtoon begreep en de compositie onderwierp aan zijn alléénheerschappij van centripetale kracht. Want ook in de natuurlijke stemming ware het mogelijk geweest meerdere grondtonen als elkander gelijkwaardige centripetale krachten op te vatten, bi- of pluritonaal te componeeren. Het tonale gevoel is thans evenwel nog bovendien willekeurig, waar het harmoniën als gelijkelijk klinkend-gemaakte emanaties van „natuurlijke" boventonen uit een toon opvat.

Waarmede dan gezegd is, dat bij een consequent doordachte aanvaarding van het reëele wezen van ons toon-systeem alle combinaties van tonen mogelijk en toelaatbaar zijn te achten — geheel naar den zelfheerlijken wil van den componist.

Voor de harmonische potentie van den toon blijft dan ééne, hare oorspronkelijke, werkzaamheid over: het veroorzaken der timbres.

* * *

De muziekvormgeving bleef eeuwenlang onderworpen aan de op willekeur en fictie berustende wet der grondtoon-werking, die

nist ons zelfs op zijn ventielhoorn nog wel gelukkig maken met de glanzende charme van natuurtonen en een strijkers-ensemble zijn kleurenpalet verrijken door van de getempereerde stemming af te wijken, zooals dan b.v. een Capet op savante wijze van dit middel gebruik maakt.

Sluiten