Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

CAECILIA EN HET MUZIEKCOLLEGE

139

van het door Holfeld of Holefeld uitgevonden strijkklavier (dat draaiende beharste schijfjes tegen de snaren hield maar evenals het soortgelijke bedelspeeltuig van den liereman een museumcuriositeit geworden is), hij kent en waardeert het al door zijn vader goedgekeurde kamerklavier, ook met den toen meestal door de knie bewogen collectieven demperheffer, dien hij das üngedampfte Register noemt, maar het oude clavichord met de snarendrukkende wigjes en de steeds Flügel geheeten klavecimbel met de tokkelende penneschachten en liefst met Holefeld's gemakkelijke pedaalregisters hebben zijn voorkeur; als omvang eischt hij C—C3. Zijns inziens behoort iedere klavierspeler het fijn schakeerende clavichord te bezitten, dat vibrato door handwieging vergunt maar tot weekelijkheid verleiden kan en de voor krachtuiting en stevigheid onontbeerlijke klavecimbel, waarop men zich evenwel te hoeden heeft voor afmatting en verstijving, speciaal bij toonherhalingen die toch al door het weinig prompte mechanisme lastig zijn en allernadeeligst wanneer ze, zooals de veel in 't begeleiden toegepaste basoctaven, geen vingerwisseling gedoogen. De gelijkblijvende spanning vermeldt hij daar niet als oorzaak van het kwaad, maar dat men elasticiteit noodig heeft en de handen snel moet kunnen uitbreiden en samentrekken, wordt deugdelijk ingescherpt. Overigens is de techniek hem voornamelijk vaardigheid der vingers, en als hij rept van den heelen arm, krijgt die het epitheton „stijf", hoe geregeld hij toch losheid predikt. Hij gewaagt van de symmetrie der handen maar laat de beginnelingen veel parallelspelen. Nu dat is wel minder consequent maar zoo verschrikkelijk niet, en ongetwijfeld mocht hij waarschuwen tegen vakgenooten, die met eigen prulmuziek vol trombassen hun leerlingen bedierven en niets beters konden produceeren of reproduceeren.

Zijn vingerzetting gaat uit van den vroe¬

ger totaal buiten spel gelaten duim, al geëmancipeerd door Couperin maar verder door zijn vader, die hem vertelde van de nog gekende verwaarloozing. Dien voor hem ook in belang eersten vinger gebruikt hij niet op de boventoetsen (ofschoon wetend dat sommigen trachten het verschil tusschen boven- en benedentoets te negeeren) maar anders zooveel mogelijk. Zijn applicatuur heeft bij het ladderopstijgen rechts het duimonderzetten „na den halven toon", als geen volgende boventoets dat belemmert, en wijkt ook in andere details af van de latere maar niet in hoofdprincipes. Hij weet ook al een voordeel dat Chopin bij den studiegang exploiteerde, het gunstige van de drie lange vingers op de trits boventoetsen. Aan de „manieren" kan men, verzekert hij, zijn gansche leven werken. Hij heeft daarbij begrijpelijkerwijs het oog op de toucher-waarde van de versieringen, wil bijvoorbeeld den eersten toon van een praller of mordent staccato nemen en dat ook pianissimo kunnen, wat zijn instrumenten erg bemoeilijken. Zijn breedvoerige steeds met motieven geillustreerde verklaringen der geschreven en ongeschreven ornamentiek, waartoe de voorslag behoort, die, niet met afzonderlijke benamingen van appoggiaturen enz. onderscheiden, zooals hij betoogt, heel het gebied der dissonantoplossing vult, moeten wij laten rusten.

Het hoofdstuk over de voordracht is algemeener, vraagt zuiver en rond, vloeiend, duidelijk en expressief spel, niet klinkend alsof men lijm tusschen de vingers heeft en ook niet alsof men zich brandt aan gloeiende toetsen. Het spreekt van 't „Affect", dat men tevens door mimiek en gebaar, mits met soberheid, mag uiten, van muziekhooren en van studeeren. Een geoefend orkest houdt, om iets gemakkelijks naar den eisch uit te voeren, wel meer dan een repetitie, doet Philipp Emanuel opmerken. Dat valt ons mee, wij hadden 't niet gedacht in dien tijd, maar de Berlijnsche hof-

Sluiten