Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

CAECILIA EN HET MUZIEKCOLLEGE

157

ook in 't Engelsen en Duitsch op ieder deel van de keur gedrukte voorbericht. En zij hadden zich niets te verwijten, behalve 't onhandige bovendien onjuiste generaliseeren der lastigheid van den auteur wien zij recht wilden doen: niet enkel de mee voor harmonium geschikte stukken mochten als betrekkelijk eenvoudig zijn aangeprezen. Jammer, maar vermoedelijk voor het succes onnadeelig is verder afwezigheid van chronologie. Men moet zich behelpen met opustallen als men jaartallen wenscht. Hoe lang heeft Alkan wel gecomponeerd? Hij werd op zijn zesde jaar leerling van het Parijsche conservatorium, op zijn tiende bij Zimmermann winner van een pianospelprijs, op zijn negentiende met een eervolle vermelding onderscheiden meedinger naar den Prix de Rome; daarna gaf hij les en had geen betrekking, reisde niet en deed zich alleen soms hooren bij de Concerts du Conservatoire. Toen hij stierf was hij vijfenzestig. Het titelblad onzer uitgaaf toont een plaquette-portret, een in de jaskraag gedoken baardigen beenigen grijsaardskop met langen kalen schedel en een nekharenkransje. Daarachter staat misschien menig stuk waarvan de zoo verbeelde 't gouden jubileum had kunnen vieren.

Evenwel zullen de drie Menuetten niet doen vragen of de klassieke trant nog van hun eigen tijd is. Ook zonder gewaarschuwd te zijn door het op een betrekkelijk laat ontstaan wijzend opuscijfer ontwaart men dadelijk archaïstische bedoeling, die geen nabootsing van vroege klassieken is maar verwijl bij hen. En die strekking vereenigt zich met andere merkwaardig hedendaagsche trekken. Nummer I, es duur, stevig van karakter, ook teer af en toe maar volkomen onsentimenteel, soms getypeerd door leegen niettemin glansrijken klank van ver uiteenliggende tonen, maar aan 't eind ineens compact, eigenaardig tevens om thematiek en vrij contrapunt der linkerpartij, heeft wringende, schrijnende doorgangen, even een canonisch dringen, dan een frappant enharmoniedetail. Num¬

mer II, g mol („tempo debole") meer weemoedig sensitief maar telkens met donkere dreiging en ten slotte barsch, verrast met nieuw dissoneeren als een bastoon cis tegen bes d; c, es; bes, d standhoudt; zij het om vervolgens opschikkend zich bij d te voegen. Nummer III, g duur („tempo nobile"), nogal populair, verwant aan het bekendste stuk van Reger's Aus meinem Tagebuche, brengt ongewone contrasten van plotseling zeer lage rhythmusmotieven en wachtende, spannende hooge.

Twee Nocturnes bevatten ook hier en daar iets dat toen ongehoord was. Een stille, gelaten-droeve, moede b mol elegie met vredigen duur-epiloog, waarin een diepe bariton Brahms-achtig zingt B, A, A, G, FIS, heeft zacht-scherpe secundenparallellen en een meditatieve figuur, die na kwintenparallellen eindigt met den klank cis, e, eis als consequentieproduct. Een fis duur vivace, gepassioneerd maar tevens behaaglijk bij gestadige snelle begeleidingstriolen die soms een themadeel opnemen, begint quasi midden in een periode, blijft metrisch ongewoon, heeft wat van Chopin, van den salon-Liszt en van melodievormen in Mahler's vierde symphonie, biedt een koor-intermezzo, vervolgens kwartintervalmotieven, naar elkander toebuigend, en verwondert even, ofschoon ten onrechte, door 't voorschrift doux ou fort: men kan het lichtelijk naar een fanfare zweemende passagetje luchtig streelend spelen maar ook met goed effect „koperen". Alkan eischt wel eens nadrukkelijk een timbre, piu oscuro bijvoorbeeld.

Onder de verscheidenheden is een „paraphrase" van Psalm 137, Super flumina Babylonis, een symphonisch gedicht met klacht, spreekrecitatief, zang bij harpspel, energieke trouw- en verontwaardigingsuiting en eindelijk haatrazernij zooals in Liszt's Inferno. Hier zouden vermoedens van veel frappants en van profetischen durf teleurstelling worden, zoo blijkt een wisselende verbinding van a 7 en es 7 maar schijn, want men voelt es als kwint-

Sluiten