Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

174

DE VEREENIGDE TIJDSCHRIFTEN

ben. Dit niet bezitten van een uitmuntende Opera blijft natuurlijk iedere Nederlander voelen als een tekort aan onze muzikale beschaving. Wat er in ons land op het gebied van de Opera gedaan wordt is welbeschouwd een blamage voor het land dat een Concertgebouw-orkest en een Residentie-orkest bezit! Alleen de „WagnerVereeniging" te Amsterdam, een besloten gezelschap met gefortuneerde beschermers, is er in geslaagd altijd voorstellingen te geven die in iedere stad van de wereld gezien mogen worden. De voorstellingen onder Pierre Monteux van Debussy's „Pelléas et Mélisande" in den afgeloopen winter zijn om het kort te zeggen model-vertooningen geweest, gelijk men ze te Parijs waarschijnlijk nog niet gezien heeft.

„Daget het in het Oosten?" Er bestaan plannen tot stichting van een Operagebouw te Amsterdam; men weet het. Er is reeds sedert maanden druk gesproken over het Museum-Theater.

Mengelberg is met die plannen echter niet bijster ingenomen, heeft dezer dagen in de Telegraaf in een interview zijn meening uitgesproken en die is niet bijzonder optimistisch. Ziehier in het kort wat de maestro gezegd heeft:

„Ik ben in beginsel geenszins tegen een Opera, althans niet tegen een instelling welke in staat zoii zijn kunstwerken op waarlijk artistieke wijze uit te voeren. Maar: als het gebouw klaar is: wie moet er spelen, wie moet er komen luisteren en kijken?

Buitenlandsche ensembles hier te brengen is kortweg onbetaalbaar. Geen enkel opera-gezelschap zal er aan denken naar ons land te komen op eigen kosten: men zal ze moeten koopen, huren, en al hun onkosten vergoeden. En ge weet: die loopen bij een opera in ongekende sommen. De gedurende den oorlog — en daarna — bijv. door de Duitsche regeering gesubsidieerde propaganda-reizen der diverse opera-ensembles zullen dien steun nu niet

meer krijgen: ook daar valt dus niet meer op te rekenen.

Dan nog: wie moet er komen luisteren? Er is geen opera-publiek in Nederland dat avond aan avond het gebouw vullen kan, en werkte men niet op een basis van een voorstelling per dag: een opera-onderneming ware volkomen en ten eenenmale inexploitabel. De vorming van zoo'n auditorium, hetgeen wil zeggen: de vorming van een Nederlandsche opera-cultuur, neemt jaren, jaren in beslag.

En ten slotte: wie zal zingen? Zoo er geen buitenlandsche troepen te betalen zijn, moeten er toch wel eerste rangs-kunstenaars komen . . . Wat wezenlijk voortreffelijk is, gaat meestal naar de grootste opera-centra als Berlijn, Weenen, Londen, New York of Chicago."

Vervolgens waarschuwt Mengelberg nog tegen een al te optimistische opvatting van „ontvangsten en uitgaven". In dit opzicht loopt het in den regel nog al eens anders uit, dan men gehoopt en verwacht heeft.

„Ten slotte dit. Het gevaar dreigt, dat men 't Concertgebouw op zou gaan offeren aan 't nieuwe opera-idee. Men zou het gebouw dood gaan drukken door de plaatsing van het nieuwe theater; men zou ons eenig Concertgebouw-orkest als symphonie- en als concert-ensemble — hetwelk beroemd is over heel de muzikale wereld — bederven, terwille van een opera, die zonder een zeer groot subsidie zeker in enkele jaren bankroet is, men zou het financieel in 't nauw gaan brengen door de enorme kosten van dit nieuwe instituut.

Ik dirigeer nu drie-en-dertig jaar op deze plaats. Het Concertgebouw is mijn levenswerk. En ik kan mij niet denken dat de stad en 't land — geloovend aan de voorspiegeling van onzaakkundig en min of meer dilettantisch optimisme —■ bewust zou overgaan tot de vernieling van ons gezond concertleven dat in de muzikale wereld als voorbeeldig is erkend, van ons concertleven dat toch een factor van be-

Sluiten