Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

190

DE VEREENIGDE TIJDSCHRIFTEN

eens terug gezien hebben. Wat moet het al zijn oude kennissen goed gedaan hebben te zien, dat Kes nog zoo frisch en fleurig is als men het maar verlangen kan; hij maakt in geen enkel opzicht den indruk van een zeventiger, is nog vol werklust, maakt plannen en vertelt daarvan, om kort te gaan: hij is er het levende bewijs voor, dat muziek de menschen jong houdt.

Kijk dan die vier kranige musici, die veertig jaar geleden in het orkest van Willem Kes een plaats vonden en die nu nog altijd vol animo meewerken: de violisten Bauer en Kemman, de altist Hendrik Bakker en de fagottist J. de Groen. Die vier veteranen, die veertig jaar hun talent en werklust aan het orkest gegeven hebben, zijn naar verdiensten gehuldigd en daar heb ik me bijzonder over verheugd; niet minder dan over de onderscheidingen welke ten deel zijn gevallen aan Helman, Loevensohn en Meerloo (Oranje-Nassauorde) en Zimmermann, die de zilveren medaille van de stad Amsterdam ontvangen heeft.

Middelerwijl is de tijd van reizen en trekken gekomen; reeds is de Koninklijke Christelijke Oratorium vereeniging „Excelsior" onder leiding van Bernard Diamant naar Parijs vertrokken, waar zij uitvoeringen geven zal van de Johannes- en de Matthaus-Passion en reeds staat het Concertgebouw-orkest gereed eenige uitvoeringen in Duitschland te gaan geven; muziekfeesten en nog Opera-festspiele hier en daar, maar dan is het ook afgeloopen voor een paar maanden, gaan wij de welverdiende rust genieten en eens een tijdlang zonder muziek leven.

Uit de dagbladen zal men wellicht reeds vernomen hebben, dat het orkest te Leeuwarden ten slotte toch behouden is; een aantal inwoners hebben jaarlijksche giften toegezegd — in totaal een bedrag van een vijfduizend gulden — en daarop heeft de gemeenteraad een besluit genomen om het

ontbrekende bij te passen. Zoodat die zaak alweer in orde gekomen is.

Van het Utrechtsche Orkest kunnen wij dat nog niet zeggen; het leven van het ensemble hangt werkelijk aan een zijden draadje. Uit alles wordt het duidelijk, dat de finantieele toestand van de gemeente Utrecht verre van rooskleurig is, dat er bedenkelijke tekorten weggewerkt moeten worden en onder zulke omstandigheden valt het moeilijk te gelooven, dat de stad bereid gevonden zal worden nog hooger bedrag voor subsidie uit te trekken. En toch: er moet meer geld komen of het orkest zal verdwijnen. Ook hier zal de redding moeten komen van particulieren en ik kan me niet voorstellen, dat het in Utrecht onmogelijk zou zijn om een vijfhonderd menschen bijeen te vinden, die met een betrekkelijk klein bedrag per jaar de zaak willen steunen en overeind houden! Ook uit Utrecht zijn reeds vroeger bij herhaling noodkreten gekomen maar ditmaal schijnt het werkelijk ernst te zijn. Wie er dus prijs stelt op het behoud van het kranige Utrechtsche Orkest moet in den zak tasten!

Trouwens uit alle oorden van de beschaafde wereld komen berichten van kunstinstellingen welke in de geldelijke zorgen zitten en geen kans zien om er uit te komen; en desondanks leest men ook niet anders dan van zeer kostbare ondernemingen, van reizen, die door geheele ensembles ondernomen worden, wat dan toch uit den aard van de zaak uiterst kostbaar moet zijn. Het geheele Berlijnsche Philharmonische Orkest — dat eeuwig in de moeilijkheden zit! — heeft een reis gemaakt naar Denemarken en Zweden en reken nu alleen eens even reis- en verblijfkosten voor negentig menschen uit en begrijp dan dat die onkosten toch nimmer goed gemaakt kunnen worden met twee concerten in iedere stad! Nu gaat het orkest nog in eenige steden van Duitschland concerten geven en dan aanvaardt het de reis naar... Parijs,

Sluiten