Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

CAECILIA EN HET MUZIEKCOLLEGE

217

les van zijn uitgebreid repertoire even mooi of interessant vindt, laat hij dat nooit merken als hij speelt. Een vriendelijk effect-stukje behandelt hij met evenveel subtiliteit van aanslag en kleur als hij een monumentaal Bach- of Regerwerk in breede, forsche lijnen neerzet, en aan een vriendelijk „Cantabile" van Guilmant bij voorbeeld geeft hij evenzeer charme als hij een fuga van Bach herschept tot een monument van gothiek en graniet.

Wij schreven dat De Wolf natuurlijk óók zijn voorkeuren, zijn groote liefden heeft. En nu we toch het plan hadden over hem in het Muziekcollege iets te vertellen, zijn we eens met hem gaan praten daarover, omdat het toch wel interessant leek over enkele dingen de meening te vertellen van een, die onder onze organisten een zeer uitstekende plaats inneemt.

Als men De Wolf vraagt welke componisten voor zijn instrument hij de grootste acht, antwoordt hij zonder bedenken: Bach, Reger (als meester over de materie) en Franck. Van den laatste betreurt hij het, dat hij zoo weinig voor orgel schreef, zijn muziek is van een adel en voornaamheid, die wel zeldzaam zijn. Zij drieën zijn de klassieken, de pijlers, waarop het geheele gebouw van de orgellitteratuur is opgetrokken. De romantische periode heeft voor orgel weinig nieuws en weinig belangrijks gebracht. De Wolf waardeert in de zuivere romantiek zeer veel, al heeft zij voor orgel dan ook weinig karakteristieks gegeven. Na Bach is er in Duitschland een zwakke periode gekomen. Mendelssohn bracht als romanticus wat nieuw bloed, Rheinberger deed hetzelfde als klassikus-romantikus. Maar van beteekenis wordt de orgellitteratuur eerst weer met Reger en Karg Elert, die de Duitsche richting voor het oogenblik wel beheerschen. Van de Franschen, aldus De Wolf, acht ik Franck absoluut toonaangevend; dan komt Vierne, eerder dan de meer gespeelde componisten Guil¬

mant en Nidor, die veel sterker op effect werken.

■— „En de modernen?"

— ,,De modernen hebben aan de orgellitteratuur geen enkel cachet gegeven. En dat is ook wel te verklaren, want behalve dan met Bach, zijn de verschillende stroomingen en richtingen bijna altijd later voor orgel gekomen dan voor andere instrumenten of groepen van instrumenten. En aangezien de ultra-modernen nog geen vaste lijn hebben gevonden en er uit hun werken nog geen bepaalde richting is op te maken, is hun invloed op de orgellitteratuur nog niet groot of bewust."

.— „En hoe staat u tegenover de modernen?"

— „Door mijn studie en mijn vele lessen ben ik niet in de gelegenheid heel veel van het ultra-moderne te hooren. Wat ik er van ken, lijkt mij voorloopig nog experiment en veelzins bewijs, dat er geen sterke bewuste persoonlijkheid is onder de modernen, die de richting voor de toekomst kan aangeven. Het lijkt mij nogal bedenkelijk, dat de modernen na eerst een of meer andere dingen geprobeerd te hebben, nu weer eens terug willen naar den vorm van Bach, Mozart of de clavecinisten. Toen Beethoven zich eenmaal los had gemaakt van zijn voorgangers, is hij zijn eigen weg gegaan, bewust en zeker. Men kan dan ook spreken van een „latere Beethoven" en van een „laatste Beethoven". Zou dat in denzelfden zin met Strawinsky ook kunnen gebeuren?"

— „En het folkloristisch element in de muziek?"

, „Ik geloof niet dat dat een toekomst

heeft. De toepassing daarvan wijst op een gebrek aan eigen vinding en het gebruiken van een eenvoudige volksmelodie met een moderne begeleiding, geeft iets hybridisch, wat nooit stand kan houden. Wat er in de naaste toekomst van alle pogingen worden zal, kan niemand zeggen.

Sluiten