Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

CAECILIA EN HET MUZIEKCOLLEGE

231

„groot Concert te geven, waarin zijn „Zoontje, oud 9 jaren, en zijne Dochter „oud 14 jaren, Sonaten en Concerten „op de Clavicembael executeeren zul„len. Alle de Symphoniën zullen van de „Compositie van dien kleinen Compo„nist zijn, die de verwondering der Ho„ven van Wenen, Vrankrijk, Engeland „en Holland heeft weggedragen. De „Prijs voor een Heer met een Dame is „3 en voor een enkel Persoon 2 guldens. „De Biljetten zijn te bekomen bij boven„gemelden Sieur Mozart, gelogeert bij „Sieur Mos in de Plaets-Royael te „Utrecht."

Mozart heeft dus Maandag den 21 sten April 1766, des namiddags te Utrecht een concert gegeven.

De „muziek-zael" op 't Vreeburg kan geen ander lokaal zijn geweest dan de „groote kamer van het Bijlhouwersgilde". Andere zalen waren in dien tijd op het Vredenburg niet aan te wijzen.

Van het Bijlhouwersgildehuis is thans niets meer te vinden. Dit gebouw eertijds „de Roode Poort" geheeten was gevestigd op de plaats waar wij heden het Venduhuis (en bioscoop) der familie Bresser aantreffen.

Te oordeelen naar enkele gegevens waarover wij de beschikking hebben, kan dit lokaal niet groot geweest zijn en slechts plaats hebben geboden voor ten hoogste 100 bezoekers.

De beperkte ruimte, waarover het College te beschikken had, zal ook wel de oorzaak geweest zijn, dat men besloot, het orkest niet grooter te doen zijn dan 15 leden.

Toen men in begin 1766 het vooruitzicht kreeg naar een grootere muziekzaal, werd deze bepaling gewijzigd, in dien zin dat een onbeperkt aantal leden konden medewerken. Hierdoor is het te verklaren, dat de violist Johnson in November 1766 zijn medewerking verleende, doch eerst in 1767 als „Meester" werd aangenomen.

Uit die „Meesters" werd een „phonascus" gekozen, welke functionaris tot taak had alle voorbereidingen te treffen, welke voor de muzikale bijeenkomsten noodig waren.

Met den phonascus zal Leopold Mozart dus zeker wel verkeerd hebben. Wie dit ambt in 1766 bekleedde, kan ik niet met zekerheid mededeelen. Zeker was het niet de violist Gorge, zooals Jhr. van Riemsdijk meent, want deze werd eerst 26 Oct. 1768 daartoe aangesteld.

De genoemde Mr. Winter was hoornist. Over Baron en BaronesseHammerstein heb ik geen bijzonderheden kunnen vinden.

Indien vreemde musici te Utrecht wilden concerteeren, werd hun, zoo zij dit verzochten, onder zekere voorwaarden de beschikking gegeven over de zaal en instrumenten van het college. Vandaar de aanteekening in haar notulen betreffende Mozart.

Over de instrumenten bij het College in 1766 in gebruik, weet ik slechts van het clavicimbaal iets mede te deelen. Dit instrument werd in 1726 aangeschaft, in ruil voor het in gebruik zijnde positief en wordt beschreven als „zijnde een staertstuk met lang en dubbelt clavier, gemaekt door I. Rikkers."

Het jaar 1766 moge voor het Utrechtsche Muziek-College in vele opzichten belangrijk geweest zijn, zeker was het dit niet ten opzichte van het aantal gegeven concerten. Ik vind van geen enkel ander concert gewag gemaakt dan juist dit door Mozart gegeven.

Er zijn verschillende oorzaken voor dit geringe aantal concerten te noemen.

Ten eerste was er een resolutie van het College, welke niet toeliet, dat vanaf 1 Juni tot den laatsten Augustus muzikale bijeenkomsten werden gehouden.

Daarbij kwam nog, dat de inrichting van de Nieuwe Muziekzaal in de Maria-kerk, geheel de belangstelling en de aandacht van het college noodig had. Het vooruit-

Sluiten