Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

CAECILIA EN HET MUZIEKCOLLEGE

269

time te laten stijgen, ernstig over Stockhausen, die geen ruimte voor zijn eerzucht zou hebben. Hij voorspelde botsing. „Maar," eindigde hij, „dan kom jij met iets van Schumann er tusschen en jullie zit weer in pais en vree bijeen aan de Myliusstraat."

Stockhausen zou later door zingen eens vrede stichten onder Clara's clubgenooten, na fel dispuut over Handel, waarbij Bargiel zich opwond en Brahms grof werd.

In '79 ging het eenigszins anders. De zanger en zangersvormer en intransigente conservatief had — volgens Clara's uitdrukking — een vreeselijk artikel op Raff losgelaten, kreeg bescheid in een door de conservatoriumbestuurders en zijn collega's gezonden protest — dat haar een dilemma was geweest — en nam zijn ontslag.

Om Clara recht te doen worde hier vermeld, dat zij Raff meer en meer achting heeft toegedragen, ook wel den componist, en dat zij, toen een hartziekte hem tot aftreden dwong, niet enkel diepe deernis had, maar 't huldigingsconcert met haar medewerking een bedroevend karig loon van zijn verdiensten vond.

Bargiel's herinnering aan Rotterdam brengt ons tot zijn arbeid aldaar. Ik hoopte daarvan een persoonlijke heugenis te kunnen bieden, en zeg Wouter Hutschenruyter wèlgemeenden dank voor de volgende:

„Toen ik, als 14-jarige jongen, aan de Rotterdamsche muziekschool, van de „elementaire" naar de „kunstklasse" zou overgaan, kwam ik onder de leiding van Woldemar Bargiel, en wel omdat mijn vader dit speciaal wenschte.

Die wensch vond niet zijn aanleiding in het bewustzijn dat Bargiel een groot „virtuoos" was, maar in de zekerheid dat ik zou worden onderricht door een volbloed kunstenaar, vol eerbied voor de kunst, van een zeer besliste opvatting en een onkreuk¬

bare eerlijkheid waar het aangelegenheden van artistieken aard gold.

Mijn vader was zich volkomen bewust van het feit, dat B. geen groot dirigent was, dat zijn pianospel niet boven de kwaliteit uitging die ieder wel-onderlegd muziekdirecteur bieden kon (en moest), maar hij zag in hem — om de hierboven genoemde eigenschappen •— den juisten man om jonge kunstenaars den waren weg te wijzen.

Ik trof het slecht: juist toen ik bij Bargiel was ingeschreven, werd hij benoemd aan de Hochschule te Berlijn; ik genoot slechts zes weken zijn onderricht. Lang genoeg echter om hem te leeren kennen als een ernstig, welmeenend leeraar, streng maar welwillend, precies en veeleischend, maar rustig genoeg om niet dadelijk boos te worden, wanneer niet alles onmiddellijk lukte.

Ik heb hem ook nog een paar maal zien dirigeeren, waarbij ik den indruk kreeg, dat hij niet tegen zijn taak opgewassen was; dat hem de zelfbewuste zekerheid ontbrak die onmisbaar is om de spelers te imponeeren. Bargiel was meer de man van de studeerkamer en het leslokaal, dan van de concertzaal.

Daar ■— in de concertzaal •— was hij echter volkomen op zijn plaats als componist. Veel van wat hij schreef, heeft nü nog werkelijke waarde!

Zijn Medea-ouverture is een voortreffelijk stuk; ik liet — in de ensemble-klassen — een Trio van hem spelen, dat hetzelfde praedicaat verdient. Wie het nog eens probeert met zijn driestemmige vrouwenzangen, zal daaraan zeker genoegen beleven."

Welk een mentor hij was, getuigde het testament van Adolph Behrens, dat hem na meer dan dertig jaren duizend pond sterling vermaakte voor zijn op 't Keulsche conservatorium genoten lessen, evenveel als aan elk van twee kunstenaars, die den erflater, zonder hem te kennen, ver-

Sluiten