Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

CAECILIA EN HET MUZIEKCOLLEGE

283

gaat bereikbare juiste timbreschoonheid, klank- en gedachten-eenheid. Wel moeten wij helaas ons nog behelpen, waar wij geen trompetter of hoornist die de gevergde hoogte beheerscht en geen oboi d'amore kunnen krijgen — gezwegen worde van 't geen zooals viola d'amore, viola di gamba, niet dikwijls noodig is en een bevredigend equivalent heeft. Maar wij bedanken voor een bijgecomponeerd strijkkwartet, voor klarinetten, voor vullende hoorns en fagotten (die Hol al hinderden met hun „getroedel" zooals hij 't aardig noemde), voor een tot uitzonderingseffect gebruikt orgel enz. Wij weten dat men een continuo-harmoniseering, ook een die buiten aanwezige stemmengangen blijft, zoo kan maken en op een klein orgel in het orkest laten spelen dat ze nergens aandacht trekt en overal haar plicht doet, waardoor ook „oningewijden" het ensemblegeluid mooi en volkomen natuurlijk vinden. Franz's bewerkingen van Bach, eens veelgeprezen met smaad aan 't adres der „historici", zijn historie geworden, eerbiedwaardig als getuigenissen van kundigheid en liefde, niettemin gedenkstukken uit een overleefd verleden — behalve dan zijn begeleidingen van Bach's geestelijke liederen.

Maar zijn eigen zangen? Aan hun waarde hebben de jaren vermoedelijk weinig veranderd. Men zal vinden dat hun oude vrienden wat te nadrukkelijk spraken over hun weerklank der koralen, waarmee vader Knauth (genaamd Franz om niet meer tot ongenoegen verward te worden met een broer en concurrent in expeditiezaken) de kerk en 't huis deed daveren van lange stentortonen en coloratuur, over Bach's invloed op den melodievorm, over zelfstandigheid der pianopartijen (die toch veelal met de zangwijs meegaan en betrekkelijk zelden voor- en naspel hebben), over declamatiejuistheid en een, wanneer Schumann hetzelfde gedicht heeft behandeld, herhaaldelijk algemeene superioriteit boven hem (die stellig soms radicaler maar

niet zoo dikwijls eischen van woord en zin aan verlangens van metrum en motief ten offer bracht en in de meeste gevallen der tekstgelijkheid denkelijk wel voor haast ieder van ons verreweg de meerdere zal wezen).

De schakeling Franz Schubert, Robert Schumann, Robert Franz lijkt ons misschien alleen goed in de beteekenis van geestig. Maar Ambros, de verzinner, wilde vooral ermee zeggen: Franz, aan Schumann verwant, heeft ook iets van Schubert's naïveteit. En dat is ongetwijfeld zoo. De strenge contrapuntschool van Schneider te Dessau had evenmin als zijn letterkundestudie hem in het spontane geschaad. Wel gaf hij, schrijver van een tot bekeering dringenden open brief aan Hanslick over zijn streven voor Bach, ook van een eigen compositie soms anderen terdege rekenschap, en wij zullen in Am Rhein, am schonen Strome zijn „legendetoon" aanvaarden met zijn (niet door hemzelf gepubliceerde) kritiek op Schumann, die door statigheidsrhythmus de voorstelling te zeer tot den Keulschen dom bepaalt. Maar bij zijn ontwerp van* een lied — hij schreef er gedurende lange tijden dagelijks een— had reflexie zeker weinig in te brengen. En zijn geduldig verbeteren later zal voornamelijk eenvoud hebben gediend. Evenwel verwachtte hij buitengewoon fijn geschakeerde klaviertimbres: hij deed, zonder overigens eenigermate virtuoos te wezen, ze zelf genieten, althans vóór de doofheid, en kon een beroemd pianofabrikant er mee verrukken.

Zijn sobere middelen verklanken maneschijn en zonneschijn, winterstrakheid en zomerweelde, velerlei natuurstemmingen maar nog meer gemoedstemmingen, en innige het meest en het best. Hoe menigmaal heeft hij, voordrachtsaanwijzing gevend, innigheid gevraagd! Die vertrouwelijke liederen veroverden, voor zoover wij het kunnen weten van Ambros en anderen, nooit een concertpubliek — zoomin als hun

Sluiten