Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

UIT DE PERS.

441

den Indischen handel ten zeerste ter lezing aan. „Ik herinner mij", vervolgde spr., „clat hij aan het slot van zijn werk ongeveer zegt: „Japan wil niet alleen als groote mogendheid, maar ook als groote natie erkend worden", nadat hij kort tevoren had gewezen op de groote voordeden, clie in clie toekomst voor Japan op de zuidelijke eilanden zijn weggelegd.

Daarna ging ritmeester BOON voort: Japan heeft noodig kolonisatie-gebied: ie. als uitlaat voor zijn teveel aan bevolking, waartoe het zijn oogen heeft gevestigd, nu Californië en Australië voorloopig daarvoor zoo goed als gesloten zijn, op Mexico en de Zuid-Amerikaansche Staten en misschien ook op de Philippijnen en Menado; 2e. als afzetgebied voor zijn industrie waartoe het in de richting ziet van de Philippijnen en onzen archipel; 3e. ter verkrijging van direct gewin, waar zich b.v. cle tineilanden Banka en Billiton bijzonder voor leenen.

Zijn bezadigdheid op het oogenblik door CllURCiULL zoo geroemd, is een vicoactus. De regeering van deze oostersche mogendheid weet wonderwel haar plannen te verbergen en is daarom maar matig ingenomen met het voortijdig demaskeeren harer batterijen, waar enkele Japansche heethoofden mee bezig zijn. Wanneer zij echter het oogenblik tot toeslaan gekomen acht, dan zal de wereld versteld staan met hoeveel stille werkkracht en zeldzame geslepenheid zij haar plannen heeft voorbereid.

Die plannen te doorkruisen ligt op de door mij aangewezen wijze ook in onze macht. Wij als groote koloniale mogendheid, hebben het recht niet meer voor het behoud onzer koloniën te rekenen op de politieke verdeeldheid der wereld, dat konden wij een vijftiental jaren geleden doen toen Europa nog slechts meesprak, thans niet meer. Wij kunnen er echter op rekenen, dat in den strijd om de Pacific, welke er een zal zijn tusschen de gekleurde rassen en het blanke, wij op hulp mogen rekenen van het Europeesche of het Amerikaansch-Anglosaksisch ras.

Om echter zegevierend uit dien strijd te voorschijn te kunnen komen, dienen wij en dient ook Amerika thans alle krachten in te spannen, want waar de buit onmetelijk zal zijn voor den aanvaller, moet men op een verbitterden strijd rekenen.

Tien jaar geleden, M. IT., stelde het Hollandsche volk, en dit volk, dat zijt gij M. H., gij handelslieden, gij industrieelen, omdat gij de toongevers van dat volk zijt, geen belang in buitenlandsche politiek en meende het, dat een

Sluiten