Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

200 DREADNOUGHTS.

689

ongeveer 6 milliard gulden. Deze verbazende som, die de Fransche oorlogsschatting van 1871 aan Duitschland nog 2^2 maal overtreft, bereikt echter nog niet de uitgaven, die Engeland sedert 1898, het jaar van de eerste Duitsche vlootwet, voor zijne marine besteedde. Deze som bedraagt ongeveer 7 milliard gulden. De 200 Dreadnoughts eischen voor hunne indiensthouding ongeveer 120 millioen gulden jaarlijks, waarvan alleen voor kolen ongeveer 66 millioen, en vorderen als bemanning 190.000 koppen. De gezamenlijke waterverplaatsing dezer 200 schepen bedraagt 5.118.800 ton, hetgeen overeenkomt met een kubus water met een zijde van 371 M. Deze kubus schijnt klein, doch bevat 51.18 millioen H.L. water, eene hoeveelheid, die zelfs de stad Berlijn eerst in 17 jaar zou verbruiken. Het totaal van de kracht die de machines van deze 200 Dreadnoughts omvatten, bedraagt tegen de 7.000.000 F.K., is dus 50 maal grooter dan de berekende energie van de Niagara-waterval, met zijn 140.000 P.K.

G. H. M.

DE INVLOED VAN KOLEN- EN MUNITIEVERBRUIK OP DE VAART VAN MET SCHIP IN DEN ZEESLAG.

Het bewijs van een toename der vaart tengevolge van gewichtsverlies door munitie- en kolenverbruik is tot nog toe slechts theoretisch geleverd, vindt echter zijne bevestiging ook door de logische ontwikkeling der voorvallen tijdens den strijd en door een tot nog toe onopgemerkt gebleven voorbeeld: de zeeslag van Tsu-shi-ma.

Een schip, dat voortdurend groote hoeveelheden kolen en olie verbruikt en in langere of kortere tusschenpoozen eenige duizendtallen kilogrammen projectielen afvuurt, moet noodzakelijk lichter worden, waardoor de het schip voortbewegende machines in staat zijn, dit sneller voort te doen bewegen. In ieder geval is deze toename in snelheid een gevolg hiervan, dat het onderwaterprofiel van het minder diep liggende schip gewoonlijk scherper, dikwijls ook minder scherp geworden is. Op de vaart van slagschepen en pantserkruisers zal dit meestal een ongunstigen invloed hebben, daar deze schepen vanaf de constructiewaterlijn naar de kiel gaande, buikiger worden, dus eerst gunstiger lijnen op een diepte hebben, die zelfs bij het grootste gewichtsverlies niet bereikt worden. Bij kleine kruisers en torpedobootjagers

M. 1914—1915. 43

Sluiten