Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

UIT DE PERS.

693

men onze marine thans nog zoo versterken, niets belangrijks kunnen wij er aan toevoegen !

We kunnen niet één torpedo maken, niet één scheepskanon, ja zelfs niet één projectiel voor die kanonnen! Wij moeten voor ernstige tijden alles in voorraad hebben; wij moeten er op rekenen, dat in oorlogstijd — ja zelfs nu wij niet in oorlog zijn — elke belangrijke aanvulling onmogelijk is. Dat dient wel eens duidelijk en goed gezegd te worden! Daarom moeten wij nog beter voorbereid zijn dan andere landen, maar tevens dient uitgezien te worden naar middelen om in dezen afhankelijken toestand verbetering te brengen.

Naar middelen om op dit gebied onze industrie te ontwikkelen, voorloopig natuurlijk met krachtigen steun van den staat. Duidelijker dan ooit staat het doel, waarnaar wij moeten streven, ons voor oogen.

Onze geheele oorlogsvoorbereiding moet zoodanig zijn, dat wij --- bij welk conflict ook - niet bevreesd behoeven te zijn voor eene schending onzer neutraliteit. Zóó moet zij zijn, dat in den vervolge onze neutrale houding door elk der partijen zeer op prijs gesteld wordt, door den grooten machtsfactor dien onze geheele weermacht vormt.

Beschouwen wij onze. voorbereiding ter zee nog eens van meer nabij.

„Dat thans geen gelden worden aangevraagd voor vermeerdering van z.g. klein materieel, behoeft geen aanleiding te geven tot bezorgdheid. Wanneer men in aanmerking neemt, dat in het begin van het jaar 1914 drie onderzeebooten in dienst waren en dit aantal thans 6 bedraagt, en dat op dit oogenblik 4 onderzeebooten in aanbouw zijn, dan mag men van eene aanzienlijke versterking van dit soort materieel spreken. Snellere uitbreiding van dit materieel zou aan de personeelvorming van dezen tak van dienst eischen stellen, waaraan zonder schade voor de overige diensten der marine niet kan worden voldaan", zoo ving ditmaal de Memorie van Antwoord van de marinebegrooting 1915 aan.

Is er ooit een staatsstuk met een ongelukkiger argument begonnen ?

Is dat een argument van denzelfden minister, die — nog geen minister zijnde — in het voorjaar 1912 zulk een frisch, krachtig geluid deed hooren ?

Is dit argument niet nog kleiner dan het kleinste uit de, vrijwel beruchte, Memorie van Antwoord van den minister WENTHOLT, die als laatste argument tegen groote schepen de onmogelijkheid aanvoerde om die met vrijwilligers te bemannen ?

Sluiten