Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

724 BESCHOUWINGEN OVER DE NIEUWE DIENSTREGELING DER

af te leveren, kan m. i. een reewacht, vooral op een vreemde ree met vreemde oorlogsschepen, aan een juist van het K. Instituut gekomen luit. ter zee 3e kl. niet toevertrouwd worden. Zooals reeds eerder gezegd, komt het er dan praktisch op neer, dat de chef v. dienst de reewacht doet. Als adelborst 2e klasse varen zij nog niet lang genoeg op actieve oorlogsbodems, en zéker te kort in het buitenland. In verband met het groot aantal adelborsten en de vele andere diensten, welke van hen op het vormingschip gevergd worden, is het aantal wachten ter reede, dat ieder doet, zeer gering. Onder deze omstandigheden kan men gerust zeggen, dat zij in het doen van zelfstandige wacht absoluut onervaren zijn, vooral buitenslands. Ik weet uit ondervinding, dat zij zelf de eersten zijn die dit zullen bevestigen. Doch zelfs al hadden zij door persoonlijke eigenschappen de bekwaamheid, een reewacht naar behooren te kunnen verrichten: wat betreft kwesties met het personeel zullen zelfs de besten ouder hen gedurende eenige jaren moeilijkheden hebben. Men denke slechts aan het veelvuldig misbruik maken van vertrouwen, wat bijv. betreft passagieren, bijzondere permissie, in één woord: alle kwesties op dat gebied, welke iedere zeeofficier aan boord van een groot schip veelvuldig meegemaakt zal hebben.

Het beginsel van deze regeling, zijnde nauwer verband tusschen meerderen en ondergeschikten van éénzelfde divisie, is niet anders dan te prijzen. Het feit dat steeds ieder met dezelfde menschen zijne diensten verricht, zoodat iedere meerdere de juiste waarde van z'n ondergeschikte weet te schatten, en ieder ondergeschikte omgekeerd weet, wat hij van z'n meerdere te wachten heeft, is van zoo'n overwegend belang, dat het te betreuren zou zijn, indien dit beginsel van deze regeling wegens onoverkomelijke bezwaren niet ingevoerd zoude worden.

Waar ik in deze beschouwingen meen uiteengezet te hebben, dat het thans bestaande materieel en personeel zich niet in alle opzichten leende tot het nemen van een proef, spreekt het vanzelf, dat de goede beginselen niet overal tot hun recht kwamen, en is dit waarschijnlijk de aanleiding geweest van een groote ontstemming onder officieren zoowel als onder de onderofficieren en schepelingen, die de proef meemaakten.

Een gewijzigde regeling in de plaatsing van oudere en jongere zeeofficieren aan boord van groote schepen in verband

Sluiten