Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

MARINEBEGROOTING VOOR HET DIENSTJAAR 1014 in de Eerste Kamer der Staten-Generaal.

BERAADSLAGINGEN.

De heer van Kol: Mijnheer de Voorzitter! Ik meen verplicht te zijn om toe te lichten waarom wij, sociaal-democraten, als principieele tegenstanders van deze begrooting onze stem daartegen zullen uitbrengen.

En dat ten eerste, omdat de militaire uitgaven een zwaren last leggen op het Nederlandsche volk, terwijl in hoofdzaak daarmede niets nuttigs kan noch zal worden bereikt. Een vijfde gedeelte in ronde getallen van de totale uitgaven van den Staat, tweemaal meer dan het onderwijs, van het hooger tot het lager onderwijs, kost in al zijn geledingen, wordt jaarlijks besteed aan leger en vloot en aldus naar mijn inzien doelloos verkwist. En voor sociale hervormingen, zelfs voor maatregelen van betrekkelijk ondergeschikten aard, waarvoor enkele duizenden worden gevraagd, is geen geld in de schatkist te vinden. Ik wijs slechts op de antwoorden, die wij gekregen hebben in de stukken betrekkelijk de verbetering van de Leerplichtwet, de traktementen van de onderwijzers, de lighallen voor arme teringlijders, terwijl blijkens het ontwerp van wet betreffende de ouderdomsrenten er zelfs geen geld schijnt te zijn om aan de armsten onder de armen op hun ouden dag f 2 per week uit te keeren.

Behalve dat aldus zware, bijna ondraaglijke lasten voor leger en vloot worden gelegd op het Nederlandsche volk, rijst de vraag of de voor de marine uitgegeven millioenen wel doelmatig worden besteed.

Wanneer men enkele jaren terug denkt in de geschiedenis onzer vloot, dan bemerkt men dat het oude liedje telkens wederkeert. Dan ziet men hoe de voordrachten voor de vloot met klem worden verdedigd van de Ministerstafel en dan steeds de verzekering wordt gegeven, dat men waar zal krijgen voor het geld dat wordt gevraagd. Enkele jaren later blijkt echter, dat de uitgaaf nutteloos is geweest, ja, het is geen te scherpe uitdrukking', dat de gelden al weer werden verspild.

Ik herinner mij hoe ik onder het Ministerie-RoËLL aan de overzijde van het Binnenhof een werkelijk'humoristische geschiedenis kon doen hooren over de dwaasheden, gepleegd in den loop der jaren bij den bouw van schepen voor de marine.

Dit behoort thans tot de historie en ik zal dus die herinnering" niet verder ophalen, maar alleen vermelden, hoe wij in 1899 van den toenmaligen Minister van Marine het voorstel kregen om f 30000000 beschikbaar te stellen voor den bouw van zes schepen type „Koningin Regentes". Nauwelijks was de helft gebouwd, of eenparig was de meening bij de marine-officieren, dat die schepen „waardeloos" waren. In 1904 kwam de Minister van Marine verklaren, nadat er reeds ettelijke millioenen waren uitgegeven, dat van de zoogenaamde vechtschepen de bewapening „te licht" was, de bescherming „onvoldoende" en dat de snelheid „teleurstelde". In 1908, nadat weder enkele millioenen waren uitgegeven, erkende een andere Minister, dat, ondanks de vele gelden die er voor waren uitgegeven, de vloot „van luttele waarde" was.

M. B. 1914—1915. 1

Sluiten