Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2 O

MAUIN'KBEGROOTIN'G

schijnontvvikkeling wijzen. Wat men doet moet men goed doen. Als men schoenmaker is, dan moet men trachten zóó schoenen te maken, dat niemand het verbeteren kan, en dan is men zedelijk gelukkig, maar niet als men met allerlei drogredenen zich aan zijn plicht tracht te onttrekken.

Nu kom ik weer terug op het verslag van die vergadering. Er werd eerst gezegd, dat men nu maar moest zorgen dat aan boord niet tegen die circulaire gehandeld werd, maar dan staat er verder in:

„Zoo is het voorgekomen te Amsterdam, dat twee personen met acht dagen provoost en voorgedragen tot ontneming van het certificaat van goed gedrag werden gestraft, alleen wijl zij in de kazerne in het bezit werden gevonden van een jaarverslag en van het bondslied. Dit komt den menschen op ten minste f 100 schade te staan en dat voor zoo'n luttel feit. Hij stelt den bond voor, mochten zij werkelijk de schade moeten lijden, hen daarvoor schadeloos te stellen.

Dit voorstel wordt met luid applaus ontvangen."

Eenerzijds zegt men dus: wel gehoorzamen, maar anderzijds gaat men degenen die niet gehoorzamen ondersteunen. Ik kan niet beoordeelen of de feiten juist zijn, waarom zij gestraft zijn en onder welke omstandigheden, maar dat doet hier ook niet ter zake. Men zegt aan den eenen kant: je moet de bevelen opvolgen, maar aan den anderen kant zegt men: degenen die de bevelen niet opvolgen, zullen wij wel helpen met geld en zoodoende de maatregelen krachteloos maken. Dat typeert de bondsleiding. Zoo is het vroeger ook gegaan met de sabotagegevallen. Men keurt ze in „Het Anker" af, maar men ziet het daarom nog niet ongaarne en weet er wel verzachting voor te vinden in de tekortkomingen van autoriteiten!

Nu moet ik er dadelijk bij zeggen — en dat heb ik ook gezegd in de stukken — dat ik natuurlijk ook heel goed het goede zie van den bond. Daar ben ik absoluut niet blind voor en ik wil er wel bijvoegen, dat ik het voornamelijk aan de invloeden van buiten toeschrijf, dat de bond den verkeerden kant uitgegaan is.

Indertijd heeft in de andere Kamer de geachte afgevaardigde uit Weststellingwerf, het was bij de Staatsbegrooting voor 1905, gezegd:

„En in de derde plaats is het waar dat wij ons plaatsen tusschen de meerderen en de minderen, althans, wanneer men aanvaardt 's Ministers standpunt, dat de meerdere niet alleen is de natuurlijke rechter, maar ook de natuurlijke pleitbezorger voor den mindere behoort te zijn. Stelt men zich op dit standpunt, dan drijven wij ons als het ware als een wig tusschen die twee categorieën.

Nu heeft de geachte afgevaardigde uit Weststellingwerf toen nog wel gezegd: ja, een pleitbezorger behoorde hij (de meerdere) eigenlijk te zijn, maar hij heeft er bijgevoegd, dat daarvan in de practijk toch niels terechtkomt. Die geachte afgevaardigde, die behoort onder de uitverkorenen van het Nederlandsche volk en die dus natuurlijk zijn verantwoordelijkheid wel gevoelt, heeft nog meer gedaan; hij heeft ook een voordracht gehouden voor het marinepersoneel in den Helder. Dat was na de begrooting voor 1912/13.

Ik heb van die voordracht het verslag in „Het Anker" voor mij, dat zal wel juist zijn, en daarin staat, dat, zooals natuurlijk is, de heer Hugenholtz bij zijn binnenkomst met een kletterend applaus werd begroet :

Sluiten