Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VOOR DE ZEEMACHT 1902"

57

waarbij de eerste alle bij de zeemacht in dienst zijnde schepen of vaartuigen omvat, mits niet in dienst opgelegd, en waarbij de laatste aanduidt de oorlogsschepen of -vaartuigen, welke bestemd zijn om bij de verdediging op te treden buiten de zeegaten van Nederland en van zijne Koloniën, zoomede pantserbooten en mijnenleggers van meer dan 400 ton waterverplaatsing.

Uit de omschrijving, dat de actieve oorlogsbodems bestemd moeten zijn voor de verdediging buiten de zeegaten, volgt, dat kanonneerbooten en voor andere diensten getransformeerde kanonneerbooten buiten dit kader vallen. Om te voorkomen, dat pantserbooten en mijnenleggers van meer dan 400 ton waterverplaatsing, wier taak hoofdzakelijk in de zeegaten ligt, doch die in staat zijn buiten de zeegaten op te treden en daadwerkelijk in voorkomende gevallen ook aan de verdediging daar zullen deelnemen, niet tot de actieve oorlogsbodems zouden worden gerekend, zijn deze soorten schepen met name genoemd.

Doordat aan de uitdrukking „actieve oorlogsbodems" thans de beteekenis wordt gegeven van schepen, voor het gevecht bestemd, worden sommige bodems, welke tot nog toe tot de actieve oorlogsbodems werden gerekend, b.v. opnemingsvaartuigen en politiekruisers, in het vervolg niet meer als zoodanig aangemerkt.

Door de gemaakte onderscheiding tusschen „actieve bodems" en „actieve oorlogsbodems" en het gebruik dat van deze termen in de ontworpen gewijzigde bepalingen wordt gemaakt, is het opnemen van eene bepaling als thans voorkomt in het tweede lid van artikel 3, zooals dit luidt, na de wijziging bij de wet van 5 December 1908, „Staatsblad" n°. 348, overbodig geworden, en dit te meer, waar omtrent dienst bij den torpedodienst en den onderzeedienst thans in het wetsontwerp bepalingen zijn opgenomen.

W b en c. De wijziging van de artikelen 8 en 9 is noodig in verband met de gewijzigde benaming van adelborst der eerste klasse in luitenant der zee der derde klasse.

§ d. De wijziging van artikel ga brengt principieel geene verandering in de thans reeds gestelde eischen voor bevordering tot luitenant ter zee der iste klasse.

Door van de actieve bodems uit te zonderen de instructieschepen, uitsluitend bestemd voor diensten in een haven of op een reede, zoomede de wacht- en logementschepen, zal de geëischte diensttijd moeten worden verkregen op dezelfde schepen als in de tot nog toe van kracht zijnde bepalingen met „actieve oorlogsbodems" werden aangeduid, met dien verstande, dat door het vervangen van het woord „binnengaats" (vergelijk het bestaande eerste lid van artikel 3) door de woorden „in een haven of op eene reede" het artillerie-instructieschip, dat tot dusverre slechts gedurende het tijdvak van 1 April tot 1 October als actieve oorlogsbodem werd beschouwd, voortaan gedurende het geheele jaar tot de in artikel ga bedoelde actieve bodems wordt gerekend, aangezien deze bodem niet uitsluitend bestemd is voor diensten in de haven of op de reede. Tot de actieve oorlogsbodems in den zin van het wetsontwerp, behoort dit schip echter niet, vermits het niet bestemd is voor de verdediging.

De bovenbedoelde wijziging van het woord „binnengaats" was ook daarom wenschelijk om te doen uitkomen dat voor den geëischten diensttijd buitengaats (sub b van het artikel) niet behoort mede te rekenen de tijd, welke wordt doorgebracht aan boord van eventueel in Indië in dienst zijnde niet varende instructieschepen.

§ e. In de eischen voor bevordering tot kapitein-luitenant ter zee zijn enkele principieele wijzigingen aangebracht. In het bestaande artikel 10

M.B. 1914—1915. 5

Sluiten