Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PENSIOENWET VOOR DE ZEEMACHT Iy02.

117

standpensioenen bij de zeemacht, vermeerderd met hetgeen wegens werkelijken dienst in den rang als verhooging te bekomen is (maximum pensioen), ongeveer het 3/5 van wat in dienzelfden rang als gemiddelde bezoldiging (zonder toelagen) wordt genoten. Deze verhouding is wel is waar ongunstiger voor het personeel der zeemacht, maar dit wordt door den ondergeteekende geen bezwaar geacht, omdat de pensioenen van bedoeld personeel in het algemeen ten gevolge van het verblijf in de koloniën die van het personeel der landmacht verre overtreffen.

Hetgeen in de Memorie van Antwoord betreffende het wetsontwerp litt. A. is gezegd omtrent de non-combattanten, geldt voor een goed deel ook voor de vaklieden bij de marine, als schoenmakers, kleermakers en scheerders. Deze personen zijn niet bestemd om gezag uit te oefenen en komen dan ook niet in aanmerking voor toekenning van den onderofficiersrang.

Hun alleen een rang te verleenen om hooger pensioen deelachtig te worden, ligt niet in het voornemen van den ondergeteekende. Aangezien zij zijn gelijkgesteld met matrozen der iste klasse en dienovereenkomstig soldij genieten, behooren zij het pensioen van deze standgenooten te ontvangen. Door de verhooging der standpensioenen van de matrozen der iste klasse van / 200 op f 280 zal het standpensioen dezer vaklieden nagenoeg gelijk zijn aan dat der korporaals. Voor de tamboers en pijpers kunnen bovenstaande overwegingen niet gelden, omdat voor dezen de gelegenheid tot het bereiken van de onderofficiersrangen openstaat.

Wat betreft de doorstrooming in het korps onderofficieren bij de zeemacht, zal het dienstbelang door de voorgestelde wetswijziging niet worden geschaad. Reeds thans verlaat het meerendeel der onderofficieren met den rang van sergeant en hooger op 45-jarigen leeftijd den dienst; alleen wanneer het dienstbelang vordert, dat sommige onderofficieren langer in dienst blijven, worden ze gehandhaafd.

Bij de zeemacht bestaat voorts reeds sedert jaren eene regeling om personeel, dat aan bepaalde voorwaarden voldoet, den overgang makkelijk te maken in burgerbetrekkingen, welke onder het Departement van Marine behooren.

Ter toelichting van het bedrag van f 12.000, vermeld als uitkomst van eene globale berekening betreffende de stijging der uitgaven, verbonden aan de verhooging der standpensioenen bij de zeemacht, diene, dat op overeenkomstige wijze als in de Memorie van Antwoord betreffende het wetsontwerp litt. A. is aangegeven, werd berekend het gemiddelde bedrag dat per jaar aan voortdurende, voorloopige en tijdelijke pensioenen werd toegekend, welk gemiddeld bedrag beloopt f 59.780, en dat, hetwelk gemiddeld zou zijn verleend, indien de voorgestelde standpensioenen tot grondslag hadden gediend. Voor dit laatste werd gevonden een gemiddeld bedrag per jaar ad f 71.670, alzoo meer pl.m. f 12.000 per jaar. Aan onderofficierspensioenen werd in de jaren 1911 tot en met 1913 bij de zeemacht toegekend:

in het jaar 1911 aan 82 hoofden f 47.986

in het jaar 1912 aan 68 hoofden 39783

en in het jaar 1913 aan 60 hoofden 32.653

Aangezien bij de marine in 1913, in tegenstelling met cle landmacht, pensionneering op denzelfden voet als in vroegere jaren plaats had, is de opgave over dat jaar hierbij vermeld. Ten overvloede zij er op gewezen, dat onder de onderofficierspensioenen hier bedoeld, evenmin als bij de landmaeht, zijn begrepen de pensioenen, aan korporaals verleend.

Omtrent de in overweging gegeven wijzigingen van de pensioenwetten vereenigt de ondergeteekende zich in hoofdzaak met hetgeen door zijn ambtgenoot van Oorlog dienaangaande is opgemerkt.

Sluiten