Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

136

handelingen der staten-generaal.

van Raalte, Otto, Boissevain, Aalberse, Schimmelpenninck, Tydeman, Bichon van IJsselmonde, Jannink, Bos, Jansen (den Haag), Fleskens, Knobel, van Foreest, van Bylandt, Roodhuyzen, van Veen, van Deventer, Smeenge, van Hamel, Nolens, Marchant, Drion, de Savornin Lohman, Fock, Éerdmans, Heeres en de Voorzitter.

De heer Duymaer van Twist: Mijnheer de Voorzitter! Alvorens ik de vrijheid zal nemen om een enkele opmerking te maken over het ontwerp, dat op het oogenblik in behandeling is, zou ik mij, ook namens mijn politieke vrienden, willen aansluiten bij de woorden, gisteren door u en door de Regeering gesproken, ter nagedachtenis van den heer Thomson. Majoor Thomson was niet alleen een geacht collega van mij, maar ook een goed kameraad. Als officier heb ik hem leeren hoogachten en als Kamerlid leeren waardeeren. Het leger verliest in hem een kundig man, die een hoogst eervol verleden achter zich had. De persoon van den heer Thomson, als Kamerlid en als officier, zal bij mij steeds in hooge waardeering blijven.

Thans de opmerking over de suppletoire begrooting.

In het Voorloopig Verslag op bladz. 2 wordt de vrees geuit, dat de Regeering de beslissing over den bouw van slagschepen op de lange baan wenscht te schuiven.

Nu mag ik in verband met deze opmerking er aan herinneren, hoe in September 1.1. in de Troonrede werd aangekondigd, dat ten behoeve van de verdediging van Nederlandsch-lndië de aanbouw zal worden voorgesteld van een slagschip ten laste van de Indische geldmiddelen. Thans zijn wij haast aan het einde van het zittingjaar, de volgende week zal de Kamer waarschijnlijk haar laatste openbare bijeenkomst houden; maar tot op heden is nog geen uitvoering gegeven aan de toezegging, in de Troonrede gedaan. Bij mij rijst de vraag: aan welke oorzaak de vertraging" in de indiening der vlootplannen moet worden toegeschreven. Er is in de pers op gewezen, dat de schuld van die vertraging eigenlijk zou zijn te zoeken bij de vorige Regeering. Doch dit is ook weer tegengesproken geworden. Het zou mij aangenaam zijn om van de Regeering te mogen vernemen, aan welke omstandigheid de schuld van die vertraging is toe te schrijven. Ten aanzien van deze zaak heeft het volk recht om een duidelijke verklaring van de Ministertafel te vernemen. Er heerscht ongerustheid en die ongerustheid moet worden weggenomen.

De Minister zegt ten aanzien van de opmerking uit het Voorloopig Verslag in de Memorie van Antwoord:

„Deze zaak heeft van haar optreden af haar volle aandacht gehad en haar desbetreffende voorstellen zijn dan ook in een vergevorderd stadium van voorbereiding."

Mijn tweede vraag is nu: wat hebben wij te verstaan onder de woorden: ver gevorderd stadium van voorbereiding? Wanneer meent de Minister, dat de plannen bij de Kamer zullen binnenkomen ?

Mijnheer de Voorzitter! Ik wensch dus twee vragen te stellen:

i°. Waaraan is het toe te schrijven, dat er vertraging is gekomen in het indienen van het wetsontwerp ?

2°. Wat hebben wij te verstaan onder de woorden: dat de zaak zich bevindt in een ver gevorderd stadium van voorbereiding?

De Minister zou mij een genoegen doen om op deze twee vragen een duidelijk antwoord te geven, opdat ieder weet, hoe het met deze belangrijke aangelegenheid staat.

De heer Pleyte, Minister van Koloniën: Mijnheer de Voorzitter!

Sluiten