Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

'38

handelingen der staten-generaal.

voor het volgende jaar. Dat zij dit niet deed, gaf den indruk dat een toezegging over zulk een urgente zaak als hier aan de orde is, zeker in den loop van het zittingjaar zou worden uitgevoerd.

Nu deelde de Minister daarvan mede, dat het ontwerp betreffende de vlootplannen in den loop van deze maand naar den Raad van State zal worden verzonden. Daaruit begrijpen wij dat de plannen de Kamer dus niet vóór het einde van dit zittingjaar en waarschijnlijk pas in het volgend zittingjaar zullen bereiken.

In dit licht is de mededeeling van den Minister dan ook wel vreemd. Ik geloof dat als men waarde wil hechten aan gedane toezeggingen, wat ik gaarne doe, wij voortaan bij deze Regeering voorzichtig zullen moeten zijn. Tusschen het doen van een toezegging en het gevolg geven daaraan kan nog een aanzienlijke tijd gelegen zijn.

Ik heb' gemeend deze opmerking nog te moeten maken. Intusschen dring ik op grooten spoed aan ter afdoening van deze zaak, die van groote urgentie is.

De heer scheurer: Mijnheer de Voorzitter! Verder heeft de

Minister mij opmerkzaam gemaakt op het hem in de schoenen schuiven van „aandacht schenken" en „zonder verwijl". Als ik dat gedaan heb, is dat absoluut niet met opzet geschied, maar voor mij is het niet zulk een groot verschil: of men over iets aandachtig nadenkt, dan wel een zaak zonder verwijl behandelt. Ik voeg er echter aan toe, dat het mij grootelijks verwonderd heeft dat wij in dit zittingjaar niet vóór ons zullen hebben het wetsontwerp betreffende de verdediging van Nederlandsch-lndië. Men mag dat nu geen vertraging noemen en men kan zeggen dat men met aandacht de zaak heeft behandeld en overwogen, maar daarmede schieten wij per slot van rekening niet op. De toestand onzer koloniën is van dien aard, dat hij urgent is en er niet meer lang over gedacht mag worden, maar dat er daden moeten geschieden. Ik zal over de noodzakelijkheid daarvan nu niet verder uitweiden : ik vertrouw dat ook de Minister evengoed als ik weet in welken toestand onze koloniën verkeeren en in welken toestand onze vloot verkeert.

In den loop van deze maand zullen wij dan, volgens cle woorden van dezen Minister, dat wetsontwerp een stap verder zien, maar wij zullen ook in deze afwachten. Wij zijn toch al het gansche jaar teleurgesteld en zullen ons misschien op verdere teleurstelling moeten voorbereiden.

De algemeene beraadslaging wordt gesloten.

Wijziging en verhooging van het tweede hoofdstuk van de begrooting van uitgaven van Nederlandsch-lndië voor het dienstjaar 1914.

De heer Fock, voorzitter van de Commissie van Rapporteurs, brengt het volgende verslag uit:

Aan de Kamer is ingediend een adres door den gepensionneerden luitenant ter zee iste klasse M. K. Medenbach, daartoe strekkende dat met de beslissing over dit wetsontwerp worde gewacht, tot ook de overige voorstellen, de defensie van Nederlandsch-lndië betreffende, de Kamer zullen hebben bereikt.

De adressant meent, dat dit wetsontwerp een zeer belangrijk onderdeel

Sluiten