Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

142

HANDELINGEN DER STATEN-GENERAAL.

„Wat de betrekking vooral zwaar maakt is dit: de officieren komen, omdat het opleidingsvak niet in tel is, bijna zonder uitzondering met tegenzin of om bijredenen aan boord. Een half jaar gaat voorbij met te maken dat een paar officieren er plezier in gaan krijgen en belang in hun jongens gaan stellen. Dat gelukt altijd, maar na een half jaar moet men weder met anderen gaan beginnen".

Ziedaar vooral de reden waarom vooral in den laatsten tijd veel klachten zijn gehoord over de opleiding tc Hellevoetsluis.

Ik zou aan de regeering willen zeggen : zorg er nu voor, dat de menschen die te Makassar met de opleiding zullen belast worden — ik hoorde, dat de heer Goossen, die de zaak daar heeft voorbereid, aan het hoofd zal worden geplaatst — als zij geschikt blijken daar hun levenswerk zullen vinden. Laat het daar niet opnieuw worden een doorgangshuis voor een geheel anderen werkkring. Laat aan degenen, weten die daar zullen komen te werken, dat, als het hun niet aan tact en geschiktheid ontbreekt, zij daar zullen kunnen blijven, dan zal men mettertijd goede resultaten kunnen verkrijgen. Tot nu toe heeft cle Bevorderingswet aan de continuïteit in den weg gestaan, omdat men twee jaren commandant van een oorlogsvaartuig moet geweest zijn om te worden bevorderd. Maar wij hebben nu een wetsontwerp ontvangen waardoor in bijzondere gevallen met die bepaling kan worden gebroken. Ik hoop, dat ook in dit geval dat wetsontwerp zal kunnen worden toegepast, zoodat wij continuïtieit zullen krijgen bij het beheer en de directie van de opleiding.

En dan in de derde plaats: er is in het Voorloopig Verslag op bladz. 2 gezegd, dat men oppassen moest om de inlanders en de Europeanen niet bij elkander te brengen.

Dat staat er in deze woorden :

„Er waren leden, die betwijfelden of het gewenscht is inlanders op de vloot meer en meer met dc Europeanen in verkeer te brengen. Zij vreesden, dat dc verkeerde geest, die veelal onder de Europeesche schepelingen valt waar te nemen, tot schade van het gezag in de Koloniën, op de inlanders zou overgaan".

Mijnheer de Voorzitter! Ik heb mij bedroefd over deze passage in het Voorloopig Verslag en ik wensch er protest tegen aan te teekenen. Ik heb verleden Zaterdag en Zondag in den Helder medegemaakt cle plechtige opening van het gebouw van den Bond voor het mindere marinepersoneel. En ik heb daar opnieuw de gelegenheid gehad te bewonderen de wijze waarop deze schepelingen zich hebben opgewerkt tot een mate van ontwikkeling en beschaving als nauwelijks mogelijk zou zijn geacht, wanneer men vroeger dit marinepersoneel had gekend. Zij zelf hebben dit gezegd in de bijeenkomst van oud-gasten, waar dezen een gedenksteen kwamen aanbieden aan de tegenwoordige kameraden van de vloot, dat zij vroeger beesten waren geweest, maar door de organisatie, door hun eigen werk, zich hadden opgewerkt tot dc hoogte van mensen zijn. Ondanks alle tegenwerking der autoriteiten zijn zij er in geslaagd om daar een cultuur tot stand te brengen, waarvoor ieder lid dezer Kamer zonder aarzelen zijn hoed zou mogen afnemen. En van deze menschen nu wordt gezegd, dat zij bezield zijn met een slechten geest, dien zij ook wel onder de inlanders zouden kunnen aankweeken. Dat doet mij denken aan het verhaal, dat ik op de Zondagbijeenkomst hoorde van een oudgast, uit den mond van iemand die als een onbruikbaar element is ontslagen, van den oud-matroos Meijer. Hij vertelde, dat, toen hij in Indië was, ik meen dat het was op de „Noordbrabant", op één avond in de cantine voor ƒ 500 aan jenever werd verzopen. Hij met een kleine groep protesteerde daartegen. Toen kwam de administrateur daar aan boord

Sluiten