Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HANDELINGEN DER STATEN-GENERAAL

U7

kundigen zijn, maar ook omdat het zijn degenen die het meest met de inlandsche schepelingen te maken zullen hebben en van wier medewerking het voor een groot deel zal afhangen of het plan van de Regeering al dan niet het gewenschte resultaat zal hebben.

Volgens den oud-Minister van Marine Cohen Stuart heerscht cr, hij zegt dit in een artikel in „De Indische Gids" van April 11., onder de marine-officieren een soort vooroordeel tegen de inlandsche schepelingen. Dit vooroordeel schrijft hij daaraan toe, dat de inlandsche schepelingen, waarmede blijkbaar bedoeld zijn niet dc pas opgeleiden, maar zij die reeds lang in grooten getale op dc vloot aanwezig zijn, de bedienden enz., niet worden gerecruteerd uit de beste elementen. Dit laatste wijt de heer Cohen Stuart dan weder aan het gebruik maken van aanbrengers.

Nu komt het mij voor, dat het ook om die reden niet wenschelijk is op eenmaal een zoo grooten sprong te maken, als thans door cle Regeering wordt voorgesteld. Tot nog toe is een proef genomen op één flottieljevaartuig. "Aan de schepelingen is slechts vakkennis bijgebracht, maar ondervinding op de actieve vloot is met inlandsche schepelingen tot nog toe niet opgedaan. En nu stelt dc Regeering plotseling voor om, in plaats van de opleiding, zooals die op den tegenwoordigen voet, bij wijze van proef, plaats had, voort te zetten en uit te breiden, te Makassar te bouwen een kweekschool, bestemd voor eenige honderden personen, waar de opleiding stelselmatig zal plaats hebben. Met alle bescheidenheid zou ik wenschen op te merken, dat het m. i. beter ware geweest als men de zaak had laten groeien, in plaats van haar, ik zou haast zeggen: te forceeren. Ik denk hier aan de bekende uitspraak van den tuinman Barend in de „Camera Obscura". Dit klemt te meer, omdat over de resultaten van de proef eerst zeer ongunstig werd geoordeeld, totdat de Minister Colijn in een zitting van deze Kamer van December 1912 uitdrukkelijk uitsprak, dat z. i. de proef moest gelukken. Sedert dien tijd zijn inderdaad rapporten ingekomen die gunstiger luiden.

Bevreemd heeft het mij in het Marine-boekje te lezen — er is gisteren reeds door den geachten afgevaardigde uit Wcststellingwerf gewag van gemaakt — dat de opleiding op de „Koetei", het flottieljevaartuig, dat als opleidingsvaartuig dienst deed, in October 1913 is gestaakt. De heer Hugenholtz scheen daaruit te willen afleiden, dat dit een bewijs was, dat' de proef was mislukt. Men kan er echter ook uit afleiden — en dat komt geloof ik dc waarheid meer nabij — dat de proef werd gestaakt omdat deze was beëindigd. Maar nu komt het mij toch vreemd voor, dat men met de opleiding niet is voortgegaan. Wanneer de proef geslaagd was, bestond cr dunkt mij alle aanleiding om op datzelfde vaartuig, of op een ander schip, de opleiding voort te zetten.

Dit brengt mij tot de passage in het Voorloopig Verslag, waar bezwaar is geopperd tegen het maken van een centrale opleidingsinrichting te Makassar. De bedoeling van dc Rcgccring is daar een groot aantal jongelieden in een gebouw bijeen te brengen. Ik geloof, dat op zich zelf reeds groot bezwaar bestaat tegen het samenbrengen van een zoo groot aantal jonge menschen in zoodanige opleidingsinrichting. Eèn groot aantal, want het zullen eenige honderdtallen zijn, vooral gedurende de eerste jaren, omdat men het bestaand tekort wil inhalen. In de tweede plaats acht ik het bedenkelijk omdat het zullen zijn menschen van zeer verschillenden landaard. Ik zal daaromtrent niet in bijzonderheden treden, maar ik wil hier alleen de Javanen en Madocreezen noemen, waaromtrent een man als de gewezen resident van Madoera, de heer Fokkens, in zijn rapport over de Barissan, opgenomen als bijlage in het defensierapport, zegt, dat de Madoerees een aangeboren antipathie tegen den Javaan heeft, welke antipathie wcdcrkccrig is. Een derde bezwaar is dat der kosten. Deze zijn zeer belangrijk, en indien het gewenschte resultaat niet wordt bereikt kan dat geld beschouwd

Sluiten