Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK VI DER STAATSBEGR. V. 1914 (OPL. ONDEROFF. EN MATR.) 231

„Welk gehalte van burgerjongelui zich voor kort dienstverband zuilen aanmelden, zal de tijd moeten leeren ; als wij de gestelde eischen in aanmerking nemen, zijn onze verwachtingen niet hoog gespannen." , ,

En verder zegt hij, dat hij er niet veel vertrouwen 111 heett dat s Ministers pogingen zullen slagen.

Dus is het ook de schrijver van het artikel, die meent dat de pogingen van den Minister niet veel succes zullen hebben.

En hoe staat het nu met de andere categorie, die van den leerlingonderofficier ? Wordt aan deze jongelieden een vaste positie bij de marine verzekerd? Dit is toch een factor van beteekenis. Immers staat deze niet vast, dan zullen zich ook voor deze categorie niet de jongelieden aanmelden die de marine behoeft. Welnu, de Memorie van Toelichting o-eeft den indruk, dat ook deze jongelieden de vaste positie missen. De regeling die de Minister voorstelt, huldigt het beginsel, zooals men dat noemt, van „de vrije hand". Den jongens die zich aanmelden worden geen vaste vooruitzichten geopend, doch in hun positie geheel afhankelijk gesteld van de inzichten van de marine-autoriteiten. Dit blijkt duidelijk uit hetgeen op bladzijde 3 van de Memorie van Toelichting wordt gezegd.

Daar lees^..^ens he). verbi;jf m de verzamelklasse en na de eerste reis aan boord van een vormingsschip, zullen degenen van wie op grond van hun karakter of aanleg niet verwacht kan worden, dat zij tot geschikte onderofficieren der zeemacht zullen kunnen worden opgeleid, uit den dienst worden ontslagen." En verder: ' '

„Gedurende de verdere opleiding zal ontslag slechts bij uitzondering plaats hebben." Er is dus geen zekerheid, dat de leerling-onderofficieren by de marine in dienst blijven. Meent de Minister, dat hij op deze vooruitzichten m het stelsel van „de vrije hand" voldoenden toeloop bij de categorie L. O. zal krijgen, dat de jongelui bereid zullen bevonden worden om bij zoo onvaste positie bij cle marine te dienen? Het komt mij voor, dat ook wat betreft den toeloop voor categorie L. O. de verwachtingen niet hoog moeten gespannen worden.

En waar gaan wij dan met de marine heen, wanneer het reorganisatieplan van den Minister mislukt en de Minister niet bereikt wat hij zich voorstelt ? Dan komen wij met recht met onze marine in het moeras. Dan blijft er niets anders over dan invoering van een marinemilitie of eenvoudig onze marine aan kant te doen.

Het is om de redenen die ik hier ontwikkelde, dat ik zeer ernstige bedenkingen tegen het voorstel van den Minister heb. De kans op een mislukking der reorganisatie, zooals de Minister deze wenscht, is, naar het mij wil voorkomen, zeer groot.

Ik vraag mij nu af: Is het bepaald noodzakelijk, om de bepaalde regeling prijs te geven ? Die vraag moet ik ontkennend beantwoorden. Zeker, in de toestanden bij de marine moet wijziging komen. De geest bij het scheepsvolk is niet goed en moet in andere richting worden geleid. Ik heb daarop reeds bij de behandeling van de begrooting voor de marine aangedrongen. Het milieu waarin de schepeling verkeert, moet worden verbeterd. Wil de Minister bruikbare elementen bij de marine krijgen, dan moet er gezorgd worden, dat het milieu waarin men aan boord 'leeft een ander wordt, dan moet er naar gestreefd worden, dat het o-odsdienstig, het geestelijk, het zedelijk element op hooger peil komt Wanneer de Minister er toe medewerkt, dat ook jongelui van Protestantsch-Christelijken huize en ook van Roomsch-Katholieken huize tot de marine kunnen toetreden, zal een reorganisatie als thans wordt

Sluiten