Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

234 BERAADSLAGING O/H. WETSONTWERP TOT AANV. EN VERH. VAN

ontwerp is, met welk doel dit ontwerp wordt ingediend, en of dit doel zal worden bereikt, dan moet ik achter die vraag niet alleen een vraagteeken zetten, maar die zelfs met neen beantwoorden.

De bedoeling van dit wetsontwerp is om de vloot te herbevolken. De Minister verwacht van dezen maatregel een grooteren toeloop naar de vloot, maar ik geloof, dat de Minister hier niet anders dan teleurstelling zal oogsten. Men heeft altijd gezegd, dat de organisatie van het mindere marinepersoneel de oorzaak is van de bestaande ontevredenheid en dat die ontevredenheid de oorzaak is van het groote verloop, en wanneer men maar het dienstverband verkortte, de matrozen geen gelegenheid meer zouden hebben om zich te organiseercn. Dan zou het dienen, om met de woorden van den Minister Colijn te spreken, niet meer een métier, een vak zijn, maar een tijdelijk onder de wapens zijn als van miliciens.

Wat lees ik nu echter op bladz. 2 van de Memorie van Toelichting? Dat de reden tot de ontevredenheid aan boord ligt in de soort van arbeid dien deze menschen doorgaans verrichten. Daar wordt ons gezegd, dat hun arbeid in hoofdzaak bestaat in schoonmaken, poetsen, schilderen, afgewisseld door kolenladen, aardappelschillen, plunje wasschen en herstellen, en verder wordt dan gezegd, dat het geen verwondering behoeft te baren, dat de mannen in hun werkkring niet de noodige bevrediging vinden. Een en ander wordt dan aangemerkt als een vruchtbare bodem voor ontevredenheid, die dan volgens het oordeel van den Minister door de organisatie wordt gezaaid.

Zie, daar erkent de Minister dus, dat de bodem van de ontevredenheid, in de marine aanwezig, niet het gevolg is van het werk van cle organisatie, maar van de inrichting van den dienst zelf, van de eigenaardige bezigheden, die deze mannen aan boord hebben te verrichten.

Welnu, Mijnheer de Voorzitter, daaraan wordt nu door dit wetsontwerp niets veranderd. De tijd gedurende welken men teekent voor dienstverrichting, zal lang genoeg zijn om lid tc blijven van den bond en de oorzaken die tot nu toe geleid hebben tot organisatie en tot het zoeken van bevrediging in die organisatie, blijven in volle mate aanwezig, want er verandert niets in de soort van werkkring, niets in het salaris, niets in het pensioen, noch in de wijze van behandeling aan boord. Wat ik dus verwacht van dit wetsontwerp is dit, dat, aangelokt door de vrij aanzienlijke spaarpremie, aanvankelijk een grootere toeloop zal komen dan de Minister tot nu heeft gehad, maar dat ten gevolge van de bestaan blijvende oorzaken van ontevredenheid de gisting toch telkens weer zal oprijzen, dat velen vóór het beëindigen van dit korte dienstverband den dienst zullen verlaten, dat zij dientengevolge maar een zeer kleine spaarpremie mede naar huis zullen nemen en dat heel gauw de klad in de zaak komt en dan zal de Minister ook met dit wetsontwerp niets verder zijn.

Mijnheer de Voorzitter! Als ik nu een oog sla op de kosten die verbonden zijn aan dit wetsontwerp, dan zie ik in de afschaffing van cle lange opleiding, die wij tot nu toe gehad hebben, een zeer aanmerkelijke besparing. Daartegenover staat echter een zeer groote kostenvermeerdering ten gevolge van de eerste uitrustingskosten en de spaarpremie. De Minister deelt ons mede, dat inderdaad de laatste kosten de bezuiniging uit anderen hoofde overtreffen met f 55.— per man en per jaar. De geheele zaak wordt dus duurder en niet goedkooper, en nu zou ik meenen, dat men een veel bevredigender regeling kon verkrijgen voor het geld, dat men thans moet toestaan, indien men de kinderwerving liét varen, met de daaraan verbonden dure opleiding, zooals ook ligt in het plan van den Minister, en het geld dat men daarvoor vrij krijgt, besteedde voor verbetering van salaris en pensioen en voor het te gemoet komen aan billijke eischen die men zoo vaak stelt omtrent logies, hygiëne,

Sluiten