Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

236 BERAADSLAGING O/H. WETSONTWERP TOT AANV. EN VERH. VAN

Nu wil ik dadelijk zeggen, dat ik zeer gaarne, wanneer dit slechts mogelijk was, ook de rechten van de minderen bij de wet zou zien geregeld. Maar men moet dezen Minister, noch een van zijn voorgangers, er een verwijt van maken, dat dit nog niet is geschied, want de wettelijke regeling van de rechten der officieren berust op de Grondwet, evenzeer als de regeling der rechten van hen die in verplichten krijgsdienst zijn. Het is dus duidelijk, dat, wanneer de Minister van Marine wijziging brengt in de positie van de officieren, door hem wordt gezorgd, dat de wettelijke waarborgen, vroeger vastgesteld, niet worden veranderd ten nadeele van den officier.

Hier hebben wij echter te doen met vrijwilligers. De dienst van vrijwilligers berust in principe op een contract. Dit contract is bindend; men kan natuurlijk niet wijzigingen brengen in een eenmaal gesloten contract, maar latere regelingen kunnen nadeelig zijn voor hen die vroeger een contract gesloten hebben; daarom heeft men daarbij steeds er op te letten, dat degenen, die eenmaal hebben gecontracteerd, door nadere wijzigingen in het dienstcontract niet worden benadeeld.

Men moet echter niet zeggen, dat de regeling der rechten van de officieren in beginsel gelijkstaat met die der vrijwilligers.

Ik wenschte deze opmerking te maken, opdat er niet zal gedacht worden, dat men willekeurig onderscheid maakt tusschen de hoogeren en de lageren. Dit verschil schrijft de wet zelf voor. En het is natuurlijk, want men moet niet vergeten, dat officieren langdurig opgeleid worden voor eene betrekking, waardoor zij hun geheele leven in 's lands dienst zijn, terwijl de matrozen slechts enkele jaren dienen, om dan in dc maatschappij terug te keeren.

De wet zelf geeft daarom de officieren deze waarborgen. Ik laat in het midden, of dit al dan niet goed is, maar zoo is de wettelijke toestand, en daarop heb ik even de aandacht willen vestigen.

De heer RAMBONNET, Minister van Marine: Mijnheer de Voorzitter! De geachte afgevaardigde uit Steenwijk is begonnen met de wenschelijkheid te betoogen om alles, wat in deze kritieke tijden de politieke hartstochten zou kunnen opwekken, te vermijden. Ik ben dit absoluut met hem eens en al de onderwerpen, welke hier aan de goedkeuring der Staten-Generaal worden onderworpen, zijn dan ook door de Regeering getoetst aan deze twee vragen: zijn ze noodzakelijk en kunnen zij gevaar opleveren, dat de eensgezindheid, welke thans onder ons volk heerscht, zou kunnen worden verbroken ?

Zoo heeft dan ook bij dit onderwerp de Minister van Marine in den Ministerraad de gronden uiteengezet, waarop, naar zijne meening, de openbare behandeling van dit wetsontwerp absoluut noodzakelijk was en er is in dien Raad niemand geweest, die oordeelde, dat er een politieke zijde aan zou kunnen zijn.

Ik zal eerst de urgentie van dit ontwerp toelichten.

Wij hebben op het oogenblik voor de matrozen een systeem van vrijwilligerswerving, dat door de practijk is veroordeeld.

Gebleken is n.1., tot korten tijd vóór den oorlog, dat de werving geheel verliep, zonder dat dit, gelijk wel eens is aangevoerd, aan het stellen van hoogere minimum-leeftijdseischen bij dienstneming mag worden toegeschreven. Ik zou dit, desgewenscht, in details kunnen bewijzen. Het aantal dienstzoekenden is voor alle leeftijden geleidelijk verminderd, maar nam aanvankelijk voor de verhoogde minimum-leeftijd toe tot een nooit te voren op den 14-jarigen leeftijd bereikt bedrag. Kort vóór het uitbreken van den oorlog stond de werving nagenoeg geheel stil. Thans evenwel onder den druk der omstandigheden kan men practisch zooveel menschen krijgen als men maar wil.

Sluiten