Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hoofdstuk vi der staatsbegr. v. 1914 (opl. onderoff. en matr.) 243

hier neerlegt in uw Memorie van Toelichting, dat kunt gij ook in den vorm van wetsartikelen ons voorleggen, die wij kunnen beoordeelen en waaraan gij een vasten, bindenden maatstaf hebt.

Ik ben door het antwoord van den Minister al heel weinig tevreden gesteld. Het is mij gegaan zooals den heer Duymaer van Twist: de punten, die ik genoemd heb in zacht critischen vorm, zijn eigenlijk door den Minister in het geheel niet aangeroerd. Ik constateer dus in de eerste plaats, dat wij een rechtspositie niet van dezen Minister te wachten hebben. In de tweede plaats heb ik geen bevrediging gekregen ten opzichte van de vrees die mij bekruipt, dat de afzonderlijke opleiding der onderofficieren niet zal medewerken tot het scheppen van een betere verhouding aan boord van de schepen. En in de derde plaats heb ik met zooveel woorden uiteengezet, waarom ik geloof, dat het eigenlijk doel, dat de Minister met dit wetsontwerp beoogt, niet zal worden bereikt.

Er zijn zeer zeker enkele goede punten in, die ik heb opgesomd, maar het eigenlijke doel wordt niet bereikt. Den grooteren toeloop zal de Minister niet krijgen, althans niet duurzaam, maar daar staat tegenover, dat wij wel zullen krijgen een vermeerdering van onkosten van 55 gulden per man en per jaar.

Mijnheer de Voorzitter! Mijn conclusie moet dus deze wezen: dat de aanvankelijke sympathie, die ik wel voor enkele onderdeden van dit ontwerp had, vrijwel is vervangen door een gevoel van groote onbevredigdheid ten opzichte van de hoofdzaak van dit wetsontwerp.

De heer rambonnet, Minister van Marine; Mijnheer de Voorzitter! Ik wil nog gaarne even de beide sprekers, den geachten afgevaardigde uit Steenwijk en den geachten afgevaardigde uit Weststellingwerf, in tweede instantie beantwoorden.

De geachte afgevaardigde uit Steenwijk heeft mij de vraag gedaan, waarom men in dezen tijd niet, evenals zulks bij de landmacht voor den tijd der mobilisatie geschied is, een aanneming op korten termijn bij Koninklijk besluit zou kunnen regelen. Het is den geachten afgevaardigde blijkbaar ontgaan, dat wij wel militieleger hebben, doch daarentegen een vloot, die hoofdzakelijk op vrijwilligers steunt en die op het oogenblik zeer voltallig bemand is door de aanvulling met de zeemilitie, maar die dit straks, wanneer de zeemilitie naar huis gaat, natuurlijk niet meer zal zijn, tenzij de menschen die zich nu aanbieden, ook een langer dienstverband aangaan dan gedurende den tijd van de mobilisatie.

De heer Duymaer van Twist: Dan blijft de toestand zooals vroeger.

De heer rambonnet, Minister van Marine: Dan blijft de toestand, dat de marine verloopt. omdat zij geen voldoende personeel heeft.

Nu de quaestie van de rechtspositie. Hetgeen ik straks gezegd heb, beduidt toch niet, dat de menschen geen rechtspositie hebben, wanneer niet alles in de. wet wordt vastgelegd. Het contract en de voorschriften worden natuurlijk bij Koninklijk besluit geregeld. Kan men nu nooit zeggen dat bij de verandering van een Koninklijk besluit de positie van het personeel aanmerkelijk benadeeld is geworden, of wordt niet pijnlijke nauwkeurigheid onderzocht of werkelijk het personeel aan de veranderde voorschriften minder waarborgen heeft, dan het had ?

De heer Hugenholtz : Denk u eens aan de salarisregeling; hoevelen zijn daardoor niet in de klem gekomen en wachten nu tevergeefs op verbetering.

De heer RAMBONNET, Minister van Marine: De salarisregeling, zegt

Sluiten