Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

268

WIJZIGING EN AANVULLING VAN DE

bevorderd, o. m. in zijn diensttijd als officier ten minste zes jaren buitengaats moeten gediend hebben. Deze heeft intusschen krachtens art. ga, onder b, reeds twee jaren buitengaats gediend om zijn rang van luitenant ter zee der eerste klasse te verkrijgen. Waarom, zoo vroeg men, wordt nu in art. 10, lid i, onder c, de termijn van 6 jaren voorgeschreven en niet de bepaling beperkt tot vier jaren in eigen rang? Het kan niet de bedoeling zijn dat deze jaren geheel mogen liggen in het tijdperk, gelegen vóór de benoeming tot luitenant der eerste klasse.

Voorts werd door eenige leden bezwaar gemaakt tegen het voorschrift, dat de kapiteins ter zee, om voor bevordering in aanmerking te komen, overeenkomstig lid 3, onder b, het daar naar aangeduid bevel onafgebroken moeten hebben gevoerd.

Alleen voor deze bevordering is de eisch van een onafgebroken bevel gesteld. Men achtte dit in de Memorie van Toelichting niet afdoende gemotiveerd en deze leden zagen daarin een te gemakkelijk middel om officieren, wier bevordering men minder gaarne zag, doch wier rechten men niet kon miskennen, uit den hoogeren rang te weren. Ook vreesde men, dat het weinig talrijke materieel eene goede uitvoering van deze bepaling in den weg zou staan.

In het vierde lid en in het laatste lid, zooals deze bepalingen zijn voorgesteld en voorkomen in stuk no. 2, komen cursiveeringen voor; men achtte het een verkeerd insluipsel op die wijze in wetsartikelen aan sommige woorden reliëf te geven.

Nog werd gewezen op de wenschelijkheid van het Latijnsche woord „sub", ook in art. ga voorkomende, door een Nederlandsche uitdrukking te vervangen. Intusschen werd opgemerkt, dat ook in bepalingen, waarvan wijziging niet wordt voorgesteld, dit Latijnsche woord voorkomt.

Art. 11 der wet (§ f van het wetsontwerp). Enkele leden meenden, dat het aanbeveling verdient, hetgeen van dit artikel rest, in de overgangsbepalingen over te nemen.

Aldus vastgesteld den 23sten November 1914.

Knobel. x)

Duymaer van Twist.

Roodenburg.

J. ter Laan.

MEMORIE VAN ANTWOORD.

Het was den ondergeteekende aangenaam te vernemen, dat door vele leden ingenomenheid was betuigd met de strekking van het wetsontwerp.

De twijfel, die intusschen bij verscheidene dier leden rees, of de voordeden, welke de regeling zal afwerpen, wel zullen opwegen tegen de nadeden aan de voorgestelde maatregelen verbonden, ontlokte dezen leden de opmerking, dat de Memorie van Toelichting niet op volkomen overtuigende wijze de noodzakelijkheid der wijzigingen heeft aangetoond.

Naar aanleiding van deze opmerking wenscht de ondergeteekende het navolgende in het midden te brengen. De ervaring heeft geleerd, dat een goede geest van samenwerking aan boord slechts dan verkregen wordt, wanneer het personeel, waarmede het schip is uitgerust, geruimen

1) De heer Bongaekts, rapporteur der eerste afdeeling:, heeft aan de vaststelling van het Verslag niet kunnen medewerken, hebbende op dat tijdstip opgehouden lid der Kamer te zijn.

Sluiten