Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

274

wijziging en aanvulling van de

Dc voordeden verbonden aan eene onafgebroken bevelvoering zijn hierboven uitvoerig in het licht gesteld; dat het weinig talrijke materieel eene goede uitvoering van de geëischtc „onafgebroken bevelvoering" in den weg zou staan, kan de ondergeteekende op grond van de daar verstrekte gegevens niet onderschrijven. De leden die in het stellen van dezen eisch een gemakkelijk middel zagen om officieren, wier bevordering men minder gaarne zag, doch wier rechten men niet kon miskennen, uit den hoogeren rang te weren, geven door het uiten van deze veronderstelling een zoodanig blijk van wantrouwen in de integriteit van het marinebestuur, dat de ondergeteekende niet in eene weerlegging" daarvan zal treden.

Bij den ondergeteekende bestaat geen bezwaar de gecursiveerde woorden in het vierde en in het laatste lid van art. 10 en waar deze meer mochten voorkomen, door niet gecursiveerde te vervangen.

Waar, zooals reeds werd opgemerkt het woord „sub" ook in bepalingen, waarvan wijziging niet wordt voorgesteld, voorkomt, schijnt het niet noodzakelijk dit woord door eene Nederlandsche uitdrukking te vervangen.

Artikel 11 der wet (« f van het wetsontwerp).

Naar aanleiding van de door enkele leden uitgesproken meening omtrent dit artikel, merkt de ondergeteekende op, dat, wanneer eene geheel nieuwe bevorderingswet aanhangig was, er zeker veel voor tezeggen zou zijn om hetgeen van dit artikel rest, in de overgangsbepalingen over te nemen. Thans schijnt het hem toe, dat er geen noodzakelijkheid bestaat dit artikel uit het kader der wet te lichten.

De ondergeteekende heeft de eer eene Nota van Wijziging aan het wetsontwerp bij deze Memorie te voegen.

Voor zooveel nog noodig wordt als toelichting daarbij vermeld:

Ad II. Aangezien niet alleen door uitdienststelling maar ook door noodzakelijk gebleken „indienstoplegging" van een oorlogsbodem, waarover door een hoofdofficier bevel wordt gevoerd, dit bevel ontijdig kan worden afgebroken, is het wenschelijk ook in dat geval te kunnen afwijken van den eisch van „onafgebroken" bevelvoering.

Ad III. Zooals in de Memorie van Toelichting (pag. 5) is medegedeeld, ligt het niet in de bedoeling om, zoolang er nog kanonneerbooten in dienst komen, aan den oudsten aan boord dienenden officier daarover het bevel op te dragen, zulks om te voorkomen, dat door zoodanige plaatsing voldaan zou worden aan den voor bevordering gestelden eisch van bevelvoering.

Volgens de thans geldende bepalingen wordt het bevel over kanonneerbooten niet gerekend als een bevel over actieve oorlogsbodems.

Zonder de voorgestelde overgangsbepaling nu zou de tijd gedurende welken het bevel over zoodanige vaartuigen is gevoerd vóór de inwerkingtreding der wetswijziging, wel in rekening komen bij den geëischten tijdsduur van het bevel over actieve bodems, hetgeen niet in de bedoeling ligt.

De Minister van Marine, J. J. Rambonnet.

Sluiten