Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

276

wijziging en aanvulling van de

luitenant ter zee der eerste klasse hebben bereikt, doch die op grond van hun ouderdom van rang, in dc ranglijst plaats namen tusschen de luitenants ter zee der eerste klasse, die vóór dien datum tot dien rang werden bevorderd.

Toelichting.

Ad I. Naar aanleiding van eene mondelinge opmerking van de Commissie van Rapporteurs is deze aanvulling wenschelijk gebleken. Hoewel bij de regeling van den inwendigen dienst voorop staat, dat de betrekking van eerste-officier o. m. ten doel heeft een ten allen tijde aangewezen plaatsvervanger van den commandant te hebben en dus uit dien hoofde bij tijdelijke indispositie als regel geen ontheffing uit het bevel noodig is, kunnen zich omstandigheden voordoen, waarbij de wenschelijkheid ontstaat om de tijdelijke uit den inwendigen dienst voortvloeiende vervanging bij afzonderlijken bestuursmaatregel te sanctionneeren.

In dit geval wordt evenmin als in het eerstbedoelde de continuïteit der bevelvoering in den zin van het wetsontwerp verbroken.

Ad II. Krachtens het bepaalde in art. 4, derde lid, der „Bevorderingswet voor de zeemacht 1902" wordt ouderdom van rang van officieren, voor zoover hunne aanspraak op bevordering betreft, beheerscht dooide plaats in de ranglijst. Hieruit moet volgen, dat, wanneer een officier, die op of na 1 januari 1906 tot luitenant ter zee der eerste klasse is bevorderd, ten gevolge van zijn ouderdom van rang in de ranglijst plaats neemt vóór ranggenooten die vóór 1 Januari 1906 zijn bevorderd, op hem dezelfde overgangsbepalingen van toepassing behooren te zijn als voor bedoelde ranggenooten zullen gelden.

De voorgestelde aanvulling van art. 2, « a, strekt om in dit geval te voorzien.

De Minister van Marine, j. j. Rambonnet.

BERAADSLAGINGEN in de tweede kamer der staten-generaal.

De algemeene beraadslaging wordt geopend.

De heer van der VoORT van zijp: Mijnheer dc Voorzitter! Ofschoon de tijdsomstandigheden niet toelaten bij een wetsontwerp als dit te zeggen, wat in normale tijden gezegd zou moeten worden, zij het mij vergund toch een enkele opmerking daaromtrent tc maken.

In het Voorloopig Verslag is er op gewezen, dat in het jaar I9i4van de 30 opengestelde plaatsen voor adelborst 2de klasse bij het Koninklijk Instituut voor de Marine 7 plaatsen onbezet zijn gebleven. Ik zal niet aan den Minister vragen, hoe groot het aantal ontslagaanvragen is van luitenants ter zee, en ik zal ook niet nagaan de oorzaken van het gememoreerde feit. Uit de Memorie van Antwoord blijkt m. i. voldoende, dat de toestand verre van gunstig is. De Minister wijdt dit aan antimilitaristische propaganda en aan de verspreiding van de wereldvredcidee, naar de gegevens die hem ten dienste staan, en hij hoopt, dat de ijzeren tijd, die aangebroken schijnt, eenigermate wijziging brengen zal in het oppervlakkig en weinig waardeerend oordeel over den militairen dienst.

Het is natuurlijk mogelijk, dat die wijziging komt, maar dan zal toch naast voldoend modern materieel, waarop onze marine-officieren moeten varen, als eerste eisch dienen te worden gesteld, dat de bepalingen van

Sluiten