Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hoofdstuk vi der staatsbegrooting voor 1915.

Artikelen.

iste Afdeeling. Militaire uitgaven.

Actieve zeemacht. iste Onderafdeeling. Kosten van beheer en administratie. C. Directün en commandementen der marine. Directeur van 's Rijks werf te Willemsoord en Hellevoetsluis.

Art. 9. De minister is voornemens de betrekking van Directeur van 's Rijks werven op te dragen aan een zeeofficier, die in burgerlijken dienst zal overgaan. Derhalve zal één persoon met de directie van beide werven te Willemsoord en te Hellevoetsluis worden belast. De standplaats Van den nieuwen functionaris wordt niet vermeld.

Men vroeg hoe de Minister zich den gang van zaken voorstelt en waarom hij de voorkeur geeft aan een zeeofficier boven een technisch ontwikkeld persoon, een ingenieur, terwijl 's Ministers voorganger bij de beraadslaging over de begrooting voor 1913 ten deze een ander standpunt innam. Men zag hierin eene achterstelling van de ingenieurs, die aldus worden geplaatst onder het gezag van een persoon, wiens gewezen werkkring hem geenszins geschikt maakt voor de taak, welke het bestuur van eene werf oplegt. De Minister gaat uit van eene zelfde gedachte, die den directeur van scheepsbouw, tevens chef der afdeeling materieel bij het Departement, tot eenvoudig directeur van scheepsbouw deed terugstellen, eene wijziging, die de kringen van belanghebbenden reeds zeer onaangenaam had getroffen.

De reorganisatie door den Minister ten aanzien van de administratie der werven is vrij kostbaar en, wijl van de begrooting alle posten werden afgevoerd die niet strikt noodzakelijk moesten worden geacht, scheen er, afgezien van bovenvermelde bedenking, aanleiding haar tot een gunstiger tijdstip uit te stellen.

11de Onderafdeeling.

Materieel der zeemacht en van 's Rijks maritieme etablissementen en inrichtingen.

B. Personeel van de werkplaatsen, de havendiensten en de werkvaartuigen. Positie van liet werfpersoneel.

Art. 22. Op bladz. 6 van de Nota van Wijzigingen wordt medegedeeld, dat de in uitzicht gestelde loonsverhooging ten behoeve van de mindere geëmployeerden en werklieden in verband met de tijdsomstandigheden wordt teruggebracht tot f 70.000, n.1. tot hetgeen met het oog op de in te voeren Weduwenpensioenwet en den lagen stand der loonen uit een billijkheidsoogpunt onvermijdelijk is. Sommige leden vonden hierin aanleiding tot de opmerking, dat in de totstandkoming dier wet een reden te meer voor loonsverhooging is gelegen, aangezien op de belanghebbenden de last zal worden gelegd tot het storten van bijdragen voor het weduwen- en weezenpensioen.

Voorts werd gewezen op de volgende leemte welke ten aanzien van de Weduwenpensioenwet viel op te merken.

Sluiten