Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

CKRA UlSj.AUXGKN.

313

Ik wijs er echter nadrukkelijk op, dat alles, wat ik hieromtrent gezegd heb, geldt voor dit oogenblik. Niemand kan in dezen tijd weten, wat de toekomst zal brengen.

Daarom gaat ook de vergelijking van den geachten afgevaardigde uit Ommen — gelijk ook door den heer Hugenholtz reeds is opgemerkt — met andere landen, die voortgaan met de vlootvoorziening, niet op. Het marinematerieel ten onzent is geheel onvoldoende voor de taak die gesteld wordt en die veel verder gaat dan tot heden het geval was.

De heer van der Voort van Zijp heeft gesproken over de „Friso". Ik heb reeds gezegd, dat dit schip tot teleurstelling heeft aanleiding gegeven.

De maatschappij „Werkspoor" had een groote ondervinding op het gebied van motoren voor gewone handelsschepen, maar van het bouwen van lichte motoren, die op oorlogsschepen moeten worden gebruikt, omdat daar zwaardere machines natuurlijk beteekent lichtere bewapening en minder of- en defensieve kracht, had ze die ervaring niet.

Nu heeft de maatschappij „Werkspoor" 4 tact-motoren geleverd, die lichter zijn dan 2 tact-motoren van de twee andere pantserbooten. Dit heeft nu teleurstelling gegeven.

Men moet echter niet vergeten, dat er bij nieuw materieel nog een factor in aanmerking komt, namelijk dat het moet worden ingeleefd en het vordert tijd, voordat het personeel er zoo vertrouwd mede is geraakt, dat men er mee kan doen wat er mee gedaan kan worden.

Dit is ook gebleken bij de „Brinio", die aanvankelijk in manoeuvrevaardigheid ernstig te kort schoot, maar gaandeweg beter voldoet.

Ik hoop, dat het de maatschappij „Werkspoor" zal gelukken, om de „Friso" beter te maken dan zij tot heden geweest is.

De heer Hugenholtz heeft gesproken over het materieel, maar ik geloof niet dat het noodig is dat ik daarop inga. Dat deze afgevaardigde van dezen oorlog verwacht een groote vermindering van bewapening, verwondert mij niet, maar of het tot werkelijkheid zal worden, meen ik te mogen betwijfelen.

Sprekende over het personeel, verklaarde de geachte afgevaardigde het te betreuren, dat het schoone gebaar van den Bond van Marinepersoneel van stopzetting van de actie voor lotsverbetering door de Regeering niet beantwoord is met een ander schoon gebaar.

Ik zou er op willen wijzen, dat de tijden tegenwoordig veel te ernstig zijn voor schoone gebaren en dat men de werkelijkheid onder de oogen heeft te zien.

Nu heb ik het vorige jaar mijn houding ten aanzien van het personeel der marine en ten aanzien van den bond zoo in den breede uiteengezet, dat het mij niet noodig voorkomt daarop thans weder terug te komen.

De geachte afgevaardigde beweert, dat geëischt werd van den bond, dat afstand gedaan zou worden van het recht van critiek. Ik meen, dat ik juist wel eens het tegendeel heb gezegd. Ik heb juist te kennen gegeven, dat dat niet de wensch was, maar wel dat de bond nooit zou ageeren tegen de belangen van den dienst.

Nu heeft de geachte afgevaardigde nog eens gezegd — wat hij mij trouwens al eenige malen in mijn Kabinet heeft te kennen gegeven — dat de geest op de „Noord-Brabant zeer slecht is, dat dit wel zou blijken en dit alleen reeds een bewijs opleverde, hoe noodig het is om in het openbaar de zaken, die op de vloot voorvallen te bespreken.

Ik heb den geachten afgevaardigde destijds geantwoord, dat ik geen enkele reden heb om den commandant van de „Noord-Brabant te wantrouwen, dat ik integendeel het volste vertrouwen in hem heb, en dat ik meende, dat de feiten, welke hij mij genoemd heeft, niet van dien aard zijn dat het noodig was er diep op in te gaan.

Sluiten