Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

beraadslagingen.

323

Dc uitbetaling van het loon aan losse werklieden zal ik laten nagaan.

De beraadslaging wordt gesloten cn onderart. 22 zonder hoofdelijke stemming aangenomen.

De onderartt. 23 tot en met 29?' worden achtereenvolgens zonder beraadslaging en zonder hoofdelijke stemming aangenomen.

Beraadslaging over onderart. 30, luidende:

„Kosten van het personeel der actieve zeemacht, bestaande in: traktementen, soldijen, tegemoetkomingen voor gehuwden, tafel- en representatiegelden, tegemoetkomingen aan de tafel voor onderofficieren, belooningen voor meer uitgebreide kennis en toelagen: traktementen, toelagen, soldijen, vergoedingen en tegemoetkomingen van de marinereserve: traktementen en soldijen, benevens toelagen aan personeel deizeemacht, dat op grond eener geneeskundige verkiaring verpleegd wordt in eigen woning of in het buitenland; prijzen, premiën en gratificatiën bij wedstrijden, ernstexercitiën en andere practische oefeningen en kosten voor aankoop van medailles bij die wedstrijden en oefeningen toe te kennen; voorschotten ter voorziening in de behoefte aan kleedingstukken, kooigoederen, de betaling der reparatieloonen en alle overige daarmede verband houdende kosten; vergoeding in geld voor artikelen van uitrusting en gratis verstrekking van dergelijke artikelen in bijzondere gevallen; kosten, verbonden aan de beoefening van huisvlijt door personeel niet in opleiding, kosten van den magazijnsdienst voor kleedingstukken, f 3 716 400."

De heer Hugenholtz: Mijnheer de Voorzitter! Ik zou den heer Minister de vraag willen stellen of de pas aangenomen Wijzigingswet op de bevordering van de officieren ook invloed kan hebben op het voeren van het commando aan boord van schepen door officieren, die voor hun taak minder geschikt zijn. Dc bedoeling van mijn vraag is deze, of die wet alleen van onder op, langzaam, in den loop van een geheel menschengeslacht, zal doorwerken, of dat reeds vrij spoedig daarvan goed resultaat kan worden verwacht. Ik doe die vraag met het oog op de zaak, zooeven door den Minister behandeld, de zaak van den commandant van de „Noord-Brabant". Ik weet dat de heer Minister mij in zijn kabinet gezegd heeft dat deze commandant wat opvliegend was, maar er is meer gezegd. Ik zou er niet over spreken als de Minister niet zelf daarover was begonnen.

De Minister heeft mij verteld dat, toen hij dezen commandant wenschte aan te stellen, deze zelf geaarzeld heeft, en den Minister gezegd heeft: ik ben wat opvliegend en kortaf cn ik ben eigenlijk niet de geschikte man om het commando van dat schip te voeren. Daarop heeft de Minister den commandant gerustgesteld en dien commandant aangesteld.

Waar de zaak zoo staat, waar dus die commandant zelf erkent dat zijn eigenschappen zoodanig zijn, dat hoe voortreffelijk hij overigens moge wezen, hij minder geschikt is om om te gaan met personeel . . .

De Voorzitter: Ik zou den geachten spreker willen verzoeken hierover niet uit te weiden en niet terug te treden in een discussie, die pas is gevoerd. Wat hij thans behandelt, is eenvoudig een vervolg van de algemeene beraadslaging.

De heer Hugenholtz : Mijn bedoeling was den Minister te vragen of de pas aangenomen wijziging van de wet op de bevordering in deze ook eenige hulp kan bieden.

Sluiten