Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

MARINEBEGROOTING VOOR HET DIENSTJAAR 1915

in de Eerste Kamer der Staten-Generaal.

VOORLOOPIG VERSLAG DER COMMISSIE VAN RAPPORTEURS.

Het afdcelingsonderzock van dit wetsontwerp heeft aanleiding gegeven tot de volgende opmerkingen en beschouwingen.

Vele leden meenden in de bestaande omstandigheden aanleiding te moeten vinden zich van kritische opmerkingen en van breedvoerige beschouwingen omtrent deze begrooting te onthouden.

Eenige leden wenschten echter enkele punten ter sprake te brengen.

Naar aanleiding van hetgeen op blz. 2 en 3 der Memorie van Toelichting wordt gezegd omtrent de plannen tot wijziging van de opleiding tot machinist bij de marine, werd gevraagd of de Minister wellicht reeds eenige nadere mededeelingen zou kunnen verstrekken, omtrent hetgeen in dezen wordt voorbereid.

Met het oog op het voorgevallene met den Vice-Admiraal van Hecking Colenbrander schijnt hier en daar twijfel te zijn ontstaan of niet het uiten van gevoelens afwijkend van die van den Minister, door zeeofficieren die in een Staatscommissie zitting hebben, nadeel kan toebrengen aan hun loopbaan. Men vertrouwde dat daarvan bij de Regeering geen sprake zal zijn en hoopte van dezen Minister, ook met het oog op dergelijke commissies in de toekomst, een stellige verzekering in dien zin te ontvangen.

Wanneer aan officieren zitting wordt gegeven in een commissie, bestemd om der Regeering van advies te dienen, behoort het er om te doen te zijn hun deskundige inzichten te vernemen. Daartoe moet het in den meest volstrekten zin zijn uitgesloten, dat zij later de allergeringste moeilijkheid ondervinden ter zake van de door hen in die commissie geuite denkbeelden.

De vraag werd gedaan, of, onafhankelijk van de formatie welke de vloot in de toekomst zal moeten hebben, het niet geraden is, nu uit den tegenwoordigen oorlog voldoende is gebleken welke gewichtige rol de onderzeebooten vervullen, bereids tot meerderen aanbouw van zulke vaartuigen over te gaan. De meening werd geuit, dat de thans woedende krijg ook aan het licht had gebracht, dat groote schepen van twijfelachtige waarde zijn, zoodat men gelden daarvoor in de toekomst niet dan met groote omzichtigheid zal mogen toestaan. Dientengevolge zal er ook meer geld beschikbaar zijn voor den aanbouw van onderzeebooten, die naar de meening van sommige leden, ook in plaats van torpedobooten zouden behooren te worden aangebouwd. In dit verband werd er aan herinnerd, dat, nu de in Duitschland bestelde torpedobooten in beslag zijn genomen, men dus wegens niet-levering wederom vrij was; men meende, dat het wenschelijk was ernstig te overwegen, of niet aanbouw van onderzeebooten in plaats van deze torpedobooten de voorkeur verdiende.

Andere leden waren van meening, dat het ontijdig was uit den tegenwoordigen oorlog reeds nu gevolgtrekkingen te maken. De opmerking M.B. 1914—1915. 21

Sluiten