Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

IN DE EERSTE KAMER DER STATEN-GENERAAL.

539

Daarop antwoordt de Minister nu :

„Het in eene commissie verkondigen van eene eigen, zelfstandige meening verdient toejuiching, wanneer zij tenminste op degelijke gronden berust. Of zij al dan niet van de meening des Ministers afwijkt, doet hierbij niets ter zake."

Mijnheer de Voorzitter, ik ben het hiermede volkomen eens. Men zou zeggen, dat nu de gevraagde verzekering kwam. Maar de Minister zegt: neen, die verzekering geef ik niet, zij moeten dan maar den moed van hun overtuiging hebben.

Welnu, Mijnheer de Voorzitter, ik vind dien moed van de overtuiging een uitnemende zaak en het doet mij genoegen te constateeren, dat die moed bij den Minister in hooge mate was op te merken, toen de quaestie van het pantserschip aan de orde was. Toen heeft de Minister in de vergadering van de Marinevereeniging open en rond zijn meening uitgesproken, hoewel dit voor hem, wiens advies niet gevraagd was, dan toch onaangename gevolgen had kunnen hebben. Maar hier hebben wij te doen — dit is de onderstelling — met iemand wiens advies wèl gevraagd is, met iemand dien de Regeering in dienst heeft bevolen in een commissie zitting te nemen ten einde een zaak te bestudeeren, zich daarover een oordeel te vormen en dit oordeel te uiten. Indien hij dan die opinie uit, zou hij nog bovendien den moed van zijn overtuiging moeten hebben. Dit moet uitgesloten zijn. Iets anders zou het natuurlijk zijn, indien hij een conclusie uit, die niet slaat op de praemissen. Dan zou blijken, dat hij niet in staat is zich een behoorlijke opinie te vormen. Indien er zulke zeeofficieren zijn, zou men kunnen zeggen : dergelijke personen kan men niet bevorderen. Ook indien zou blijken, dat hij karaktereigenschappen heeft, die maken dat men hem niet zou kunnen bevorderen, zou hij de nadeelige gevolgen kunnen ondervinden van zijn advies. Maar iets dergelijks bedoelt de Minister blijkbaar niet. Hij spreekt over den moed van de overtuiging en denkt dus aan personen die wèl in staat zijn zich een behoorlijke overtuiging te vormen. Het gaat niet aan, dat, wanneer zoo'n persoon die overtuiging heeft uitgesproken, de Minister het recht zou hebben zijn carrière te breken, omdat hij tot een andere conclusie is gekomen dan de Minister.

Men kan ook niet zeggen : uw argumenten zijn niet goed, omdat de mijne beter zijn. Wanneer iemand op grond van behoorlijke argumenten tot een conclusie komt, en om zijn oordeel opzettelijk is gevraagd, moet hij dit oordeel kunnen uiten, zonder dat daaraan voor hem eenige nadeelige gevolgen kunnen verbonden zijn.

Ware het anders, ik zou het afschuwelijk vinden. Ik zou het ook niet in het landsbelang achten. Want het is duidelijk, dat, wanneer dit de regel werd, het uiterst moeilijk zou zijn zeeofficieren te vinden die een conclusie zouden durven uiten in afwijking van den Minister.

En wat zouden dan de gevolgen zijn ? Dat wij eenvoudig kregen de opinie van den Minister, door knappe menschen toegejuicht, want ook knappe menschen zijn niet altijd personen, die zooveel durf en toewijding hebben, dat zij er hun toekomst aan wagen. Wij zouden dus eenvoudig de meening van den Minister krijgen en dat vind ik niet in 's lands belang. In 's lands belang acht ik dat wij de waarheid weten, dat wij weten, wat het beste is en dat wij trachten daarachter te komen, en niet om te hooren een meening die vooruit vaststaat. Intusschen ik denk dat de Minister zijn bedoeling niet juist heeft weergegeven, althans dat ik hem niet goed begrepen heb. Ik vermoed, dat de Minister alleen bedoeld heeft te zeggen, dat wanneer iemand die advies geeft, daartoe onbekwaam blijkt of slechte karaktereigenschappen bezit, men hem dan de gevolgen

Sluiten