Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TN DE EERSTE KAMER DER STATEN-GENERAAL.

345

macht ligt. Terwijl wij vroeger altijd verhinderd waren zoo iets te doen, door de enorme kosten, geloof ik, dat het nu mogelijk is hierin voor te gaan in plaats van te volgen. Maar ik zal hier niet dieper op ingaan.

Ik wil liever nog even terugkomen op het eerste punt waarover ik gesproken heb. De Minister zegt, dat de vlagofficieren benoemd worden naar keuze, en dat keuze altijd een zeer groot subjectief element m zich heeft. Dat ben ik volkomen met den Minister eens, maar wanneer Zijne Excellentie zegt, dat men die in het geheel niet kan binden aan vaste regelen, ben ik dit niet met hem eens. Ik meen, dat het een vaste regel moet zijn, dat, wanneer een zeeofficier gecommandeerd is in een commissie om zijn opinie te zeggen en hij dan door gezette studie tot een conclusie is gekomen, het vast moet staan, dat hij ook wegens het uitspreken van zijn door behoorlijke bewijzen gestaafd oordeel niet mag beschouwd worden als iemand, die iets gedaan heeft waardoor hij niet in aanmerking kan komen voor een bevordering waarvoor hij anders wel in aanmerking komen zou.

Nu heeft de Minister gezegd, dat het niet benoemd worden tot commandant van de zeemacht niet was een vermindering, daar hij toch den hoogsten rang bij de zeemacht kreeg. Het is waar, de rang van viceadmiraal is het hoogste bij ons, maar commandant van de zeemacht — dat weet ieder zeeofficier — is het allerhoogste commandement, dat er bij onze marine bestaat. Wanneer men daarvoor in aanmerking zou komen en er wordt gezegd : neen, daarvoor komt gij niet in aanmerking omdat gij in die commissie tot een conclusie zijt gekomen die met de mijne in strijd is, dan zou dat iets zijn, dat ik ten sterkste zou afkeuren en waarvan ik hoop, dat het nooit meer voor zal komen, en ik hoop ook, dat de Minister zijn subjectieve opinie nooit door dergelijke overwegingen zal laten influenceeren.

De heer RAMBONNET, Minister van Marine : Mijnheer de Voorzitter! De geachte afgevaardigde heeft gewezen op de wenschelijkheid om groote onderzeebooten te gaan aanbouwen en daarmede het buitenland voor te zijn.

Ik moet hier op twee punten wijzen. Vooreerst hierop, dat elke onderzeeboot, naarmate zij grooter wordt, verliest in waarde als oorlogswapen en dat wel vanwege de mindere handelbaarheid onder water. Nu worden wel is waar in het buitenland proeven genomen om onderzeeschepen te gaan bouwen, maar het is toch nooit voor een kleine natie aangewezen om met dergelijke kostbare proeven, die misschien veel teleurstelling kunnen baren, aan de spits te staan, want, zooals ik zooeven zeide, de grootte van het schip maakt het minder handelbaar als oorlogswapen. Maar wel is naar aanleiding van de ondervinding die wij met de „K I" hebben opgedaan een nieuw gezichtspunt geopend juist ten aanzien van de grootte, nl. of niet èn voor Indië èn voor Nederland, behalve de groote onderzeebooten zooals wij den laatsten tijd hebben gebouwd, ook kleine onderzeebooten noodig zijn voor meer locale doeleinden. Men moet bij die vraagstukken ten onzent toch niet vergeten dat met een reuzenzeemacht van oorlogsmateriaal veel sneller ondervinding wordt opgedaan dan met een bescheiden weermacht en het dus niet geraden kan zijn om geheel los van hetgeen de ondervinding gaandeweg heeft geleerd, uitsluitend op theorieën nieuwe systemen op te bouwen — immers in de practijk gaat het niet zoo : vandaag dit en morgen dat; het is een geleidelijke ontwikkeling van de techniek, die langzamerhand vraagstukken, waarover men dikwijls jaren lang gewerkt heeft, doet oplossen — ; plotseling op zuiver theoretische gronden een nieuwen onbeproefden koers te gaan volgen, schijnt mij voor Nederland ongeraden.

Sluiten