Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

346

marinebegrooting voor het dienstjaar 1915

Nu is de geachte afgevaardigde tot mijn spijt weer teruggekomen op de geschiedenis die hij het eerst had ter sprake gebracht en die ik liever niet meer wilde uitrafelen dan noodig is. Als ik het goed genoteerd heb heeft de geachte afgevaardigde gezegd, dat ik zou beweerd hebben dat men zich niet geheel aan vaste regelen kan binden. Dat meen ik dat volkomen juist is.

De heer van Wassenaer van Catwijck: Aan één vasten regel en wel dien ik noemde.

De h eer Rambonnet, Minister van Marine.' Dat is juist hetgeen ik bestrijd. Als men op een gegeven oogenblik als Minister op zijn geweten moet zeggen wie in aanmerking moet gebracht worden voor een zekere betrekking, is het onmogelijk om te zeggen: die of die gedeelten, die mij een oordeel doen vormen omtrent een persoon, laat ik buiten beschouwing. Men heeft een totaal indruk. In het besproken geval neme men voorts nog in aanmerking, dat de heer Colenbrander no. 1 en de heer Pinke no. 2 voor bevordering stond. Om eerstgenoemde voor commandant der zeemacht aan te wijzen had er dus, zooals ik in mijn eersten termijn reeds gezegd heb, een exceptie-maatregel genomen moeten worden, waarbij de overweging had moeten gelden, dat de schout-bij-nacht Pinke eigenlijk gezegd achteruitgesteld moest worden — daarop toch komt het neer — omdat de heer Colenbrander eenmaal lid van de staatscommissie geweest zijnde, immuun was geworden voor minder gunstige toevallige omstandigheden, die zich bij bevorderingen altijd kunnen voordoen. Anders begrijp ik de zaak niet. En nu wil ik dit eens zeggen: of het oordeel, dat uitgesproken is afwijkt van het oordeel van den Minister doet niets ter zake, maar wel dient in aanmerking te komen of dat oordeel vertrouwen heeft gewekt in de marine. Nu heeft mijn geachte ambtsvoorganger een marine-commissie benoemd van, zooals hij het destijds noemde, vogels van diverse pluimage, teneinde zooveel mogelijk wrijving van gedachten te bevorderen en zich zoodoende een meening te vormen uit opinies die aan de practijk getoetst waren. Op grond van hetgeen in die commissie is besproken meen ik te mogen zeggen, dat de oplossing zooals die in het rapport der commissie 1906 werd aangegeven niet het vertrouwen had in de marine en wel om twee hoofdredenen, die ik op het oogenblik laat rusten.

De Minister Wentholt had in 1911 de keuze tusschen het voorstel om den kapitein ter zee Pinke, die naar ik meen te mogen zeggen het vertrouwen van de marine genoot, op zij te zetten door het pousseeren van den kapitein ter zee Colenbrander, op grond van zijn adviezen als lid der Staatscommissie 1906, dan wel te adviseeren, zooals hij gedaan heeft. En nu moet ik den geachten afgevaardigde nog opmerken, dat er tal van hoogst bekwame vlagofficieren zijn geweest, die door omstandigheden nooit commandant van de zeemacht zijn geworden; dat is zoo duidelijk, dat het geen toelichting behoeft.

Uit den aard der zaak weet ik niet welke verschillende motieven Minister Wentholt bewogen kunnen hebben en wat er tusschen den Minister en den heer Colenbrander destijds gesproken is. De heer Colenbrander was eerste officier bij den lateren Minister Wentholt geweest en stond hoog bij hem aangeschreven; een meer vertrouwelijke gedachtenwisseling, dan die van een Minister tot een willekeurigen zeeofficier was dus mogelijk en kan aanleiding gegeven hebben tot onjuiste voorstellingen; hoe er precies gesproken is, beoordeelen de geachte afgevaardigde en ik op getuigenissen van derden. Maar men moet wel zeer voorzichtig zijn met daarop een soort van wantrouwen te koesteren in de integriteit van het marinebestuur. Ik meen, dat dit in geen enkel opzicht gewettigd is en daarop komt de zaak ten slotte neer.

Sluiten