Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

16

van Fis en F tegelijk;. . . als afgestompt zitten we, en wennen ten slotte aan alles, ook aan het aller-bizarste. De voorbereidende studie heeft onzegbare offers aan moeite, tijd en studie geëischt: geen hulde is te groot voor degenen die ze brachten. De partituur leek eerst voor het orkest een boek met zeven zegels en vol onoplosbare raadsels — de Feuersnot, waarover indertijd al zoo geroepen werd, noemde v. Schuch er kinderspel bij. — Welnu, deze merkwaardige dirigent, die buiten Dresden nog veel te weinig bekend is, heeft met onuitputtelijk geduld al die raadsels, eén voor eén, ontsluierd. Mot elke instrumentale groep hield hij circa dertig, met het orkest-ensemble vijftien repetities. Elke partij van de zangers en zangeressen studeerde v. Schuch afzonderlijk met hen in; het pharizeër quintet alleen, vereisehte ongeveer zestig repetities!

Een ongehoord kapitaal aan werkkracht is hier dus geschonken, en dat wel dank zij voornamelijk von Schuch's suggestieve geestdrift, die er steeds den moed en het vertrouwen wist in te houden. Dresden kan dan ook met volle recht trotsch zijn op het resultaat. Het was in eén woord schitterend.

Frau Wittich gaf, vooral in zang, eene Salome van onovertreffelijke pracht en ontplooide eene zekerheid, die alle moeilijkheden glansrijk wist te overwinnen; de stem bleef stralend en frisch tot het laatste toe. De Intendant had haar speciaal zes weken vrij-af gegeven om de rol geheel in zich te kunnen opnemen. Ook Burian als Herodes, Perron als Jochanaan waren schitterend, de kleinere rollen bijna zonder uitzondering in uitmuntende handen. Elk theater mag Dresden om zulk eene offervaardigheid, zulk een stel artisten, zulk een orkest en zulk een kapelmeester benijden. En het publiek, dat voor een groot deel uit musici, intendanten, theaterdirecteuren en journalisten bestond, die van heinde en ver waren toegestroomd en Dresden een ietwat Bayreuthisch aanzien gaven, toonde die artistieke daden te waardeeren.

Na de ademlooze spanning, waarmede men bijna twee uur lang had zitten luisteren, (het stuk speelt in eens door) kwam eerst eene aarzelende stilte, die echter al spoedig plaats maakte voor het steeds aangroeiend enthousiasme. Het doek rees en daalde omstreeks veertig maal. Maar het allerwarmste werd Schuch geacclameerd, de bescheiden temperamentvolle leider, aan wien Strauss ontzachelijk veel te danken heeft.

Nu zouden hier nog eene reeks betrachtingen op kunnen volgen. Is dit toekomstmuziek? d. w. z. is Strauss de groote voórarbeider, die het veld ontgint, en zal dan de geweldige komen, die zaait en oogst, en scbept, godgelijke?

Is dit werk, dat Strauss beschouwt als een hoeksteen in zijn leven, ook een hoeksteen in het gebouw der kunst? Is zij een treê van de groote Evolutietrap? een onvermijdlijke Oorzaak, waaruit eens het al-bekroonende Gevolg zal groeien?

Wie vermeet zich hierop te antwoorden? Zijn de oordeelvellingen omtrent

Sluiten