Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

81

Concert voor piano, fluit, viool en orkest van Bach, waarin de heer Mengelberg weer als pianist uitmuntte en de heeren Scheers en Timmner hem waardig ter zijde stonden.

Het orkest geeft in deze dagen ieder concert een twee of drietal werken van Mozart. Ook het bekende concert voor twee piano's en orkest in Es. gr. t. werd op een Donderdagavond door Mej. Vivegeno en haar leermeester den heer Mengelberg ten gehoore gebracht.

De jonge pianiste heeft de eerste partij met zeer correcte techniek, goede fraseering en toonontwikkeling gespeeld. De vrees te forsch te spelen heeft haar echter tot een ander uiterste gebracht. Alles klonk wat bleek, en de heer Mengelberg die zich uitstekend wist aan te passen aan haar spel, bleef daardoor ook wat te veel in halve tinten Het is echter zeer moeielijk in de groote zaal het juiste te treffen, doch het is niet te ontkennen dat wat meer helderheid van toon niet zouden hebben geschaad. Ten slotte releveeren wij nog een brillante uitvoering van Ein Heldenleben van Bichard Strauss, waarin de heer Timmner als solist schitterend revanche nam.

De derde Kamermuziek-soirée van Toonkunst was geheel aan Mozart gewijd, waar in het Strijk-quartet in F. gr. t. de viool-sonate in Bes. gr. t. (Peters No. 10) en het bekende Strijk-quintet in g. kl. t. werden uitgevoerd. Het eerste Quartet miste eenheid, vooral de altist stond er meestal eenigszins buiten, doch het Quintet voor 2 violen, 2 alten en violoncel werd uitstekend vertolkt en stond van beide voordrachten beslist het hoogst.

Zeer veel genot schonken de heeren Röntgen en Flesch met de viool-sonate. Hoewel wij vreesden, dat de Bechstein-vleugel te dik en te sterk zou klinken (voor Mozart achten wij een Pleyel-vleugel altijd het ideaal) wist Röntgen door groote discretie en fijngevoelige toonontwikkeling een wonderschoon geheel met Flesch te verkrijgen, die op meesterlijke wijze de viool-partij voordroeg, en die in de beide andere stukken weer de artistieke impulsie aan de vertolking wist te geven.

Thans blijft ons nog over met groote ingenomenheid te spreken van Carl Flesch's Tweede Viool-avond, waarin hij eerst eene Suite van Vieuxtemps (waarin deze componist een Prélude en dansen ia het karakter van den „ouden tijd" geeft, die wel aardig waren, maar niet op de hoogte stonden van de oude dansen door grootere meesters gecomponeerd), en eene herhaling gaf der Sonate opus 44. No. 1, van Reger. De wijze waar Flesch deze beide werken speelde was in één woord meesterlijk. Zooals hij het werk van Reger weer vertolkte zullen weinigen hem dat nadoen. Hij staat voor niets en deinst voor geen moeielijkheid terug. De voordracht der fuga voor viool alleen was als een model voor allen te beschouwen die zich aan deze Sonate in de toekomst wagen.

In de kleinere stukken die Flesch na de pauze speelde van Cui, Tor Aulin, Bossi, Dalcroze, Juon en Hubay kon hij beurtelings zijn prachtige cantilene en groote virtuositeit doen bewonderen, en in het toestukje, de reeds vroeger door hem gespeelde Variatiën op de G.-snaar op een thema uit Moïse, verbaasde hij alle toehoorders. Doch ons was nog liever de groote kunstenaar zooals hij zich eerst had geopenbaard.

Van den pianist Mark Hambourg, die een klavieravond gaf, zij nog vermeld, dat hij een buitengewone techniek ontwikkelde en een temperament openbaarde dat nog wel eens tot uitersten en ongebondenheid ging. Doch zoodra deze pianist zichzelf zal hebben herzien zal hij zeker een plaats onder de grooten kunnen innemen, want het was verbazend wat hij te hooren gaf.

Een liederen-avond van mejuffrouw Marie Seret, uit Berlijn, heb ik tot mijn leedwezen niet kunnen bijwonen, doch mij werd gemeld, dat deze zangeres met haar zeer schoone stem veel goeds gaf, en ook bij verdere ontwikkeling, die, zoowel de stem als de voordracht nog in sommige opzichten behoeft, veel belooft. v. M.

6

Sluiten