Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

164

gesmaakt wordt. En wil men de reden van dit wonderbare effekt weten, zij ligt voor de hand. Zij is juist daarin gelegen, dat Wagner hier voor een groot gedeelte zijn standpunt vergeet, een standpunt, dat strekken moet om a tout prix originaliteit na te jagen; hier toch sluit hij zich nauw aan de tradities van het voorledene aan, volgt Weber en Meijerbeer na en versmaadt ook de Fransche rythmiscbe melodie en zelfs de Italiaansche cantilène niet. Dit steekt dan ook scherp af bij de wijze, waarop Wagner systematisch het recitiatief behandelt, en daarin vermeent zijne voorgangers te verbeteren. Hij beweert namenlijk, dat de door hem daarvoor in de plaats gestelde deklamatorische zang in strengen rythmus een vooruitgang is en meer in overeenstemming met de waarheid van uitdrukking. Integendeel is het een achteruitgang, eene terugkeering tot de tijden van Lulli en Rameau, terwijl het recitiatief eigenlijk is uitgevonden om het woord van den dichter muzikaal te kleuren, of zooals Wagner zelf zegt, te doen gelden. Hebben dan de groote componisten, de meesters in het recitatief: Gluck, Mozart, Spontini, om niet tot Handel en Scarlatti op te klimmen, in dezen vorm niet de hoogste uitdrukking des woords gelegd, en tevens de meest vrije declamatie van het gevoel uitgestort? En nu wil men de geestdrift, de warmte van den dramatischen zanger weder in het enge keurslijf van de strenge maatverdeeling snoeren? Wij zullen nog meer dan eenmaal gelegenheid hebben aan te toonen, dat dit surrogaat-recitatief öf tot onvermijdelijke monotomie leidt, öf hoezeer in a tempo geschreven, door het aanbrengen van fermate toch eigenlijk op hetzelfde nederkomt.

Het tweede bedrijf wordt geopend met eene instrumentaal-inleiding, die even als de ouverture op uitstekende wijze de gewaarwordingen schetst die in de volgende handeling zullen voorkomen. Te recht heeft Wagner hier bijzondere zorg besteed aan een onderdeel van zijn werk, dat door vele componisten meestal slechts als een onbelangrijk lever de rideau wordt beschouwd. Hierin heeft hij vooral het voetspoor van Beethoven opgevolgd, wiens inleiding voor de tweede akte van Fidelio op meesterlijke wijze den toestand van den in den kerker versmachtende Florestan schildert. Niet minder schoon is de daarop volgende entr'ee van Elisabeth; haar geheele eerste zangscène drukt volkomen het karakter der adelijke jonkvrouw uit, die met minnend verlangen de terugkomst van den verloren gewaanden ridder verbeidt. Ook het daarop volgend duo met Tannhauser, hoezeer ook sterk aan Von Weber's Euryanthe herinnerend, is vol gloed en effekt, en onderscheidt zich in vorm en behandeling zeer van den gewonen stijl van Wagner. Oorspronkelijk en plechtig is de marsch, waarmede de feestgenooten de feestzaal binnentreden : het is een exceptioneel muziekstuk, met sterk sprekenden rythmus en levendige doorwerking, schitterend geïnstrumenteerd en in kleur en melodie geheel het middeneeuwsche karakter dragend. Wij komen nu tot het culminatiepunt van het drama: den zangwedstrijd. Wij hadden ons voorbereid ook daarin het glanspunt van de muzikale inspiratie te zullen vinden, maar hebben ons daarin eenigszins bedrogen gezien. Wat toch was natuurlijker dan dat in eene opera, een zangspel, waar de zang de gewone spraak vervangt, waarin alle gewaarwordingen en driften door de muziek worden uitgedrukt, de wedstrijd zich niet alleen tot het dichterlijke gedeelte zou bepalen, maar die gelijkelijk tussehen poëzie en muziek zou verdeelen? Zou men niet verwachten dat de meesterzangers in hunne eerzucht en geestdrift niet alleen zouden trachten de opgegeven prijsvraag op de best mogelijke wijze op te lossen, maar ook dat antwoord in de schoone vormen te gieten; dat wil zeggen: niet slechts een voldoende oplossing van het gestelde problema in vloeiende verzen te geven, maar ook te trachten door schoone lyrische vormen, bevallige melodiën en voortreffelijke voordracht het effekt daarvan nog te verhoogen? En wat heeft

Sluiten