Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

172

Karakteristiek is de orkest-illustratie bij de woorden: „Ein Spielmann zag einst des Weges daber." In de solo-stemmen bondt Mahler zich niet streng aan de verhoudingen. Hij laat beurtelings de sopraan en alt-solo klagen dat de broeder haar verslagen heeft. Ook breekt hij bij de zinnen: „Hört nicht des Jubels.. . .

Töne" en „Was hast du mein junges Le ben, dem To de hingegeben," op

eenigszins onverklaarbare wijze de woorden of lettergrepen af, of rekt ze uit, terwille van de orkestrale illustratie. Doch zooals gezegd is, de stemming die in het geheele werk heerscht, is treffend en sprekend, en dat hebben de toehoorders blijkbaar gevoeld. Vooral de alt-soliste, mej. Philippi uit Basel, heeft hare soli mooi voorgedragen. Bijzonder heeft zich het koor der afdeelings-zangvereeniging onderscheiden, evenals het orkest, hetgeen trouwens van zelf spreekt. Vooraf ging Schillings' koor met bariton-solo en orkest: Den Verklarten, tekst van Schiller, reeds een vorig jaar uitgevoerd, doch dat onder Mengelberg's leiding nu nog meer tot zijn recht kwam, daar het koor de moeielijkheden meer beheerschte, en tot slot: Taillefer van Richard Strauss, dat hier wel voor het eerst ten gehoore werd gebracht, doch reeds uitvoerig door mij in Caecilia is besproken en geanalyseerd, na de uitvoeringen te Heidelberg en Keulen. Na de stemmingsmuziek van Mahler klonk deze muziek, die eigenlijk als gelegensheidsstuk is gecomponeerd, wat bont en druk, doch ook hierin bewonderde men weer de machtige conceptie-geest van den eenigen Richard Strauss.

De uitvoering van dit stuk was zeer brillant. Het koor en orkest hadden beslist de eer van den avond.

Thans kom ik tot de bespreking van de compositie die voor mij een groot raadsel is gebleven, n.1. Lioba, fragment uit van Eeden's gedicht, door Daniël de Lange gecomponeerd voor solo-stemmen, vrouwenkoor en orkest.

De componist heeft ons met dit werk, waarin hij blijkbaar een geheel nieuwen weg bewandelt, willen doen kennis maken.

Over het talent van de Lange om voor zangstemmen en orkest te schrijven, over zijn kennis en wetenschap, behoeft niets te worden gezegd, want dat is bekend en wordt ook volkomen gewaardeerd. Doch als scheppend kunstenaar treedt hij slechts hoogst zelden op den voorgrond, en dus is het niet te verwonderen dat men met groote belangstelling naar een nadere kennismaking uitzag.

Doch waar men zich reeds mag afvragen of dit gedicht wel compositie behoeft, ja verdraagt, zijn wij tot de conclusie gekomen, dat de heer de Lange voor ons gevoel geen bevredigend antwoord daarop heeft gegeven, daar het muzikale zoozeer op den achtergrond scheen gedrongen, dat wij voortdurend meenden een taal te hooren waarvan men weinig of niets verstaat. Wij hoorden klanken en klank-combinaties, die ons absoluut niets hebben gezegd, ja die ons vaak een indruk van leegte gaven, ondanks de aangewende „technische Apparate der Tonhervorbringung" zooals in het omslachtig duitsch het orkest wel eens genoemd is.

Sluiten