Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

173

Heeft nu de heer de Lange ongelijk of wij? Daaromtrent valt niet te beslissen, wij doen er dus het zwijgen toe en zullen afwachten of bij herhaalde uitvoeringen de nevelen optrekken en het, voor ons, monotone tafereel leven, kleur en karakter verkrijgt. Nu is onze meening dus alleen uit te drukken door een zeer groot vraagteeken. Meer hebben tot ons gesproken het lied: Der zürnende Bard door Tijssen voortreffelijk gezongen, en De Roze, van vroeger bekend, waarin Orelio met veel talent de bariton-partij vervulde. Als uitvoering was de geheele avond zeer gelukkig. De heer en mevrouw Tijssen hebben zich in Lioba prachtig door de reusachtig moeielijke partijen heengeslagen, en het residentie-orkest heeft den geheelen avond op hoogst voortreffelijke wijze de partities weergegeven.

De heer de Lange mocht zich in veel applaus en prachtige bloemgeschenken verheugen, en dus liet het succes niets te wenschen.

Om bij de Nederlandsche compositieën te blijven, zij thans melding gemaakt van de uitvoering eener nieuwe Sonate voor piano en viool van onzen jongen landgenoot Sem Dresden, aan wien op de Vijfde Kamerrauziek-soirée van Toonkunst gastvrijheid was verleend voor zijn nieuw opus. Met Oarl Flesch bracht hij deze Sonate ten gehoore en hoewel het mij niet mogelijk was die uitvoering bij te wonen, had ik toch gelegenheid kennis met dit werk te maken, hetgeen mij zeer verheugt omdat wij hier werkelijk te doen hebben met eene compositie van beteekanis. Dresden is geen onbekende meer. Bij den uitgever A. A. Noske te Middelburg, die in de laatste jaren zooveel voor onze componisten gedaan heeft, verschenen eenige zijner liederen, die van zijn compositie-talent reeds een zeer goeden indruk gaven. Doch in de Sonate heeft hij nog krachtiger zijn gaven geopenbaard.

De eerste satz in g. kl. t. later G. gr. t. is zeer breed opgezet, en geeft in krachtige en machtige strooming eene ontwikkeling der beide motieven, waarvan het eerste, met de dalende none, zeer karakterestiek is, en het tweede door het zangerig, rustig karakter een gewenscht contrast geeft.

Dit deel is „aus einem Guss" geschreven. Het tweede deel staat, door zijn droomerig karakter, daar tegenover. Als zuiver muzikale vinding verkies ik dit boven het vorige, omdat er nog meer eigens in is, en de componist zich daar blijkbaar heeft laten gaan zooals het in hem zingt en leeft. Deze satz verheft zich in het midden tot groote stijging om dan weer rustiger, steeds zachter in het eerste motief uit te klinken.

De wijze waarop Dresden dat thema als in steeds ijler atmosfeer laat vervliegen en oplossen is m. i. zeer gelukkig gevonden.

De finale geeft behalve een natuurlijken, warmen stroom, ook weer de bewijzen dat Dresden den vorm en de schrijfwijze goed beheerscht.

Zooals de componisten van onzen tijd meestal doen in zulk een werk, heeft hij, door ook later zijn hoofdmotief in rhythmische veranderingen te geven, meer onderling verband tussehen die deelen zoeken te brengen.

Sluiten