Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

198

hetwelk vlak achter de duinen begint en bijna tot Haarlem reikt, onze wandelingen, en zoo leefden wij bij het schoone weder, dat ons in dien zomer van 1835 begunstigde, zeer tevreden in onze eenzaamheid. Deze werd echter spoedig door een onverwacht kunstgenot afgebroken, daar de muziekvrienden te Amsterdam, die van mijne aanwezigheid te Zandvoort gehoord hadden, mij en mijne reisgezellinnen tot een concert uitnoodigden, dat zij te mijner eere gearrangeerd hadden. Wij gingen derhalve met den omnibus naar Haarlem en van daar met de trekschuit naar Amsterdam, waar wij op uitnoodiging van een vroegeren bekende, den heer Tenkate, in diens huis afstapten. Met hem bezochten wij het in de zaal van Felix Meritis plaatsvindende concert, waarop uitsluitend coinpositiën van mij werden ten gehoore gebracht; eerst een mijner symphonieën, vervolgens het duet uit Jessonda, gezongen door den heer De Vruecht uit Haarlem en de eerste zangeres der Duitsche Opera: daarna speelde de heer Tours uit Rotterdam een vioolconcert van mij, en de heer De Vruecht besloot het concert met eenige liederen. Toen wij daarop bij onzen gastheer gesoupeerd hadden en op het punt stonden, ons ter ruste te begeven, werd mij nog eene serenade gebracht, die wij op het balkon van het huis aanhoorden. Mijne schoonzuster, die reeds op het concert over hoofdpijn had geklaagd, heeft wellicht, toen zij ondanks mijne waarschuwing in de koele avondlucht de serenade mede aanhoorde, koude gevat; want toen wij te Zandvoort waren teruggekeerd en den volgenden morgen den baddokter raadpleegden, bleek het, dat er 's nachts eene huidziekte bij haar uitgebroken was, die hij evenwel niet voor gevaarlijk hield. De vakantietijd liep intusschen ten einde, en de dokter verklaarde, nadat de zieke eenige dagen het bed gehouden had, dat wij binnenkort konden vertrekken. Maar nog denzelfden avond, toen de zon onderging en ik aan het bed mijner schoonzuster gezeten, met haar over ons vertrek sprak, verlangde zij met groote opgewondenheid, op te staan; en terwijl ik haar met al mijne kracht nauwelijks kon tegenhouden, viel zij plotseling op het kussen neder, verloor het bewustzijn en had weldra opgehouden te leven. In onzen angst riepen wij beiden, Therese en ik, om hulp, waarop een jongmensch, die naast ons woonde en student in de medicijnen was, toesnelde en haar aderliet. Doch te vergeefs! Er kwam geen bloed meer, de dokter constateerde den dood en was nu bezig om Therese, die van schrik in onmacht was gevallen, weder in het leven te roepen. Zoo was dan de noodlottige wensch mijner schoonzuster: „Hier zou ik eeuwig willen blijven!" op treurige wijze vervuld. Wat wij daarbij gevoelden, toen wij de overledene eenige dagen later naar haar laatste rustplaats geleidden, en hoe ons daarbij weder levendig voor den geest kwam, wat wij het vorige jaar te Kassei beleefd hadden, wil ik niet trachten te schilderen.

Wij maakten nu de terugreis zoo spoedig mogelijk."

De derde maal dat Spohr ons land bezocht, was in 1857, in gezelschap van zijn tweede vrouw, Marianne Pfeiffer. Het bericht dienaangaande is echter niet meer van hemzelf — want zijne autobiographie loopt slechts tot 1838 — maar door een zijner verwanten voortgezet en als aanhangsel van het door hem geschreven werk in het licht gegeven. Daarin lezen wij over die derde reis:

„In den zomer van 1857 besteedde Spohr zijn vakantie-tijd tot eene reis naar Holland, dat hem van vroegere bezoeken nog in het vriendelijkste licht voor den geest zweefde; daarom had hij reeds dikwijls gewenscht, in gezelschap

Sluiten