Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

214

leiding van jeugdige talenten buiten dien esoterischen kring, voor ontwikkeling en uitbreiding van goede muziek in de maatschappij zorgde."

Uit deze woorden blijkt duidelijk, dat de groote staatsman, die men zoo vaak hard is gevallen over het gezegde: „Kunst is geen regeeringszaak" — welken zin hij echter nooit in dezen vorm heeft geuit — een open oog had voor de beteekenis der toonkunst als „Erzieherin". De muziekschool moest ook dienen tot „ontwikkeling van den muzikalen zin onder de bevolking"; daartoe wilde de Regeering medewerken, evenals die van andere landen, b.v. Frankrijk en België, dat doet.

Niet duidelijk is het, waarom in het Reglement van 1881 de bedoelde woorden zijn weggelaten. Kon men het niet eens worden over de te bezigen middelen tot ontwikkeling van den muzikalen zin onder de bevolking ? Of waren daaraan te groote kosten verbonden ? Het voor ons liggend Overzicht geeft daarvan geen opheldering. Hoe het zij, Thorbecke heeft door de opname van bedoelde alinea in het Reglement getoond, dat hij aan de Koninklijke Muziekschool een veel grooter beteekenis hechtte dan die van opleidingsinstituut voor vakmusici.

Nicolaï bleef tot aan zijn dood, in het voorjaar van 1896, directeur der school. Zijn opvolger was Mr. H. Viotta, door de commissie met algerneene stemmen voorgedragen en benoemd bij Ministerieële beschikking van 6 Juni van dat jaar.

De school nam steeds in bloei toe, getuige de telken jare vermeerderende toevloed van adspiranten, waarvan velen wegens gebrek aan plaatsruimte moesten worden afgewezen. Daarom richtte de Commissie van Toezicht een verzoek tot het Gemeentebestuur, om een aangrenzend pand bij het schoolgebouw te voegen, aan welk verzoek werd voldaan.

Bij Koninklijk Besluit van 10 Mei 1900 werd de benaming „Koninklijke Muziekschool" veranderd in die van „Koninklijk Conservatorium voor Muziek".

De Regeering bevestigde daardoor, dat de school eene instelling voor Hooger Muzikaal Onderwijs was en de Commissie van Toezicht meb den Directeur beijverden zich, haar meer en meer te doen beantwoorden aan de eischen, die men aan een dergelijke inrichting mag stellen.

Uit het „Overzicht" blijkt, dat dit laatste, bij den toestand der muzikale . wereld eenige jaren geleden, geen gemakkelijke taak was. Toen de veteranen onder de leeraren, de laatst overgeblevenen van het oude Haagsche orkest, overleden waren, of wel tengevolge van hoogen leeftijd hun ontslag hadden gevraagd, was het dikwijls moeilijk, waardige opvolgers te vinden. Reeds had men voor de clarinet- en hoorn-klassen leeraren moeten aanstellen, die niet in den Haag woonden, hetgeen reiskosten veroorzaakte en andere eigenaardige moeilijkheden na zich sleepte. Voor de üuit-klasse moest men zelfs een buitenlander nemen, toen de hoogbejaarde leeraar dier klasse zijn ontslag had genomen, enz. enz.

Sluiten