Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

242

dekking, dat de boven gegeven stelling omtrent bet voornaamste kenmerk van den kunstenaar, voor bet eerst door Ernst Grosze *) als grondslag voor de studie wordt aangegeven. Zeer lakoniek merkt deze aestheticus op: „Dieses Verbalten lasst sich zu einem Theile eben daraus erklaren, dass das Studium des Künstlerwesens die nüchste Aufgabe der Kunstwissenschaft sein sollte ; denn was am nacksten liegt, das wird von der Wissenschaft gewöhnlich am langsten übersehen." Die kunst dan — als kenmerkend bestanddeel van den menscli-kunstenaar — laat zich in haar wording in den kunstenaar, in vier elementen verdeelen; te weten : De Aanschouwing (Fantasie), de Bezieling (de Inspiratie), de Schepping (de creatie), de Uitvoering (de Compositie). Het eerste element brengt de kunst tot den kunstenaar, het tweede en derde is een proces van wording in den kunstenaar, het vierde is de materialisatie van de kunst en brengt de kunstenaar tot de menschen. Daarna zou op de abstracte beschouwing de concrete behandeling en detailleering moeten volgen: doch langs psychologischen weg den lezer te brengen tot erkenning van het wezenlijke in den kunstenaar, is slechts het doel dezer bladzijden en niet, een of ander speciaal kunstenaar in zijn uitingen te bespreken.

Het is m. i. voor den criticus en bovenal voor den kunst-historicus, die zich met een levensschets van een specialen kunstenaar of diens kunst bezig houdt, van zeer groot belang zich van de dispositie der vier bovengenoemde elementen, in den kunstenaar dien hij beschouwt, een goed denkbeeld te vormen, wil hij geen gevaar loopen zich bij de beoordeeling op een verkeerd standpunt te plaatsen.

Zulk een verkeerd standpunt vindt men wel eens ingenomen door gelegenheids-biografen en door de contribuanten aan populaire beschrijvingen van artiesten-levens.

Met een zekere voorliefde laat zoo'n biograaf zich dan wel eens in wijdsprakige termen ontvallen dat de artiest evenals andere brave lieden zijn menschelijke zwakheden draagt en noodzakelijk volgt hieruit dat... de eigenlijke „artiest" in deze beschrijving als een gelukkig bijkomend object wordt afgedaan, terwijl vaak dit artiest-zijn de onschuldige oorzaak der minder aangename capricen van den kunstenaar wordt geacht, waarom wij vriendelijk worden uitgenoodigd die capricen om derwille van die artisticiteit voor ditmaal niet kwalijk te nemen (waaraan door ons bij dezen, gracielijk wordt voldaan).

Dergelijke mistastende beschrijvingen, waarin het den biograaf niet gelukt, ons tot de hoogte van zijn onderwerp op te heffen, komen gewoonlijk niet voort uit gebrek aan liefde en toewijding voor zijn studie, maar.. . doordat zijn studie psychologisch niet goed onderlegd is. Scherp, hoewel eenigszins onbillijk, laakt Grosze (daarvoor is hij dan ook de echte ongenaakbare Duitsche geleerde) deze

*) Ernst Grosze is privaat-docent aan de Freiburgsche Universiteit. Zijn „Studiën" — door mij als hoofdbron gebezigd — dateeren van 1900.

Sluiten