Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

260

waaraan o. a. een tenorzanger Julius Miller verbonden was, die ook componist was en wiens operette: Der Kosakken-Officier herhaaldelijk is opgevoerd. Hij was ook als concertzanger zeer geliefd en zong o. a. op een der concerten van Felix Meritis.

In die dagen werd ook voor het eerst Beethoven's; achtste symphonie in dat gezelschap uitgevoerd. Ze werd maar matig gewaardeerd en de critiek hier ter stede was al niet helderziender dan de Duitsche critische tijdgenooten van Beethoven.

Een criticus schreef dat de symphonie niet in den smaak van het publiek viel; slechts weinigen schepten er behagen in en dan nog wel alleen in enkele gedeelten. Hoe jammer — zucht deze voorlichter van het publiek — dat de groote, geniale meester niet meer symphoniën in den trant zijner eersten schrijft!

Het valt nu moeielijk te gelooven dat men over een zoo zonnig, in zijn voorname klaarheid en sprankelende levenslust zoo tot ieders gemoed sprekend werk, aldus kon oordeelen. Doch evenmin kunnen wij ons voorstellen hoe men in Duitschland over de Eroica, de groote Leonore-Ouverture No. 3 en andere meesterwerken heeft gesproken in Beethoven's tijd.

Riep niet iemand bij de eerste uitvoering van de Eroica te Weenen, die op de galerij gezeten was: „Ich g'ab" noch einen Kreuzer, wann's nur aufhört".

En heeft niet een bekende tijdgenoot van den meester: Eduard August Grell, bewerende dat de achteruitgang van de Europeesche muziek reeds van 1600 dateert, Beethoven's symphonieën voor ontaarde dansmuziek verklaard, die niet eens geschikt was om op te dansen.

Maar ieder die nu als groote en klassieke meester wordt vereerd, heeft een vagevuur van niet begrepen zijn, miskenning en bespotting moeten doorworstelen en dat moge velen tot onzichtigheid in hun oordeel aanmanen omtrent nieuwe wegenvolgende tijdgenooten. De toekomst kan in dat opzicht alleen uitspraak doen.

De vierde klasse van het Kon. Instituut schreef in datzelfde jaar een prijsvraag van 300 gulden uit voor de compositie van het gedicht: De Toonkunst. P. J. Suremont uit Antwerpen behaalde de prijs. Ook te Groningen bestond eene vereeniging tot aanmoediging van muzikale compositie, die o. a. liederen van Van Boom te Utrecht en Steup te Amsterdam bekroonde*).

Van het jaar 1820 is vooral interessant te vermelden dat Moscheles eenigo concerten te Amsterdam gaf. In 1821 trad Van Bree voor het eerst als violist in Felix Meritis op en voerde de Duitsche opera Gluck's: Iphigenia auf Tauris op.

Het oudste lid der familie Stumpff dat zich te Amsterdam vestigde was J. N. C. Stumpff, lid van het Fransche opera-orkest, die in 1798 te Amsterdam kwam en aldaar in 1841 stierf. Hij kwam met het Pruisische muziekcorps Oranje-Nassau in ons land. Hij vond (in 1821) een mechaniek uit om de pauken gemakkelijker

*) Ook kwam daar viermaal in het jaar een muziek-tijdschrift uit.

Sluiten