Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

285

De Allgemeine Deutsche Tonkünstler-Verein heeft in de algemeene vergadering te Essen besloten het volgend jaar bijeen te komen te Dresden.

Te Leipzig heeft Strauss': Salome een verbazend succes gehad. Met mevr. Dönges die de hoofdrol speelde, werden ook ürlus als „Herodes" en Soomer als „Jochanaan" telkens voor het voetlicht geroepen.

- Te Berlijn overleed in den ouderdom van 56 jaren prof. Heinrich Reimann, die in het muziekleven van Berlijn een persoon van beteekenis was. Hij was de zoon van een begaafd componist van kerkliederen, en zeer muzikaal, maar ging toch in de klassieke letteren studeeren. Hij werd leeraar, later rector aan een gymnasium. Maar in 1885 kwam hij als organist aan de Kaiser Wilhelm-Gedachtniskirche naar Berlijn. Zijn orgelconcerten hadden een grooten naam. Hij componeerde veel, bezorgde de toelichtingen tot de programma's van de Philharmonische concerten, die een goede leiddraad zijn voor den toehoorder en schreef muzikale biographiön o.a. van Schumann en Brahms. Ook heeft hij oude volksliederen voor concert-voordracht geschikt gemaakt.

Het Berl. Tagebl. verneemt dat Richard Strauss een nieuwe opera componeert, die weer „iets griezeligs wordt".

Van het beroemde werk dat zoowel voor de muziekgeschiedenis als voor onzen tijd beteekenis heeft, n.1. Johann Joachim Quanz' „Versuch einer Anweisung die Flöte traversiere zu spielen", is nu bij C. F. Kahnt Nachfolger, te Leipzig, den tweede druk verschenen met critische aanteekeningen van Dr. A. Schering.

Hiermede is een gewichtige dienst aan hen die zich voor de muziekbeoefening der 18e eeuw interesseeren, bewezen, en zal deze uitgave er weer toe kunnen medewerken de zuivere stijlvertolking der oude meesterwerken te bevorderen.

MEDEDEELINGEN VAN ALLERLEI AARD.

1. Frederik de Groote als muziek-criticus. Uit de artikelen over Frederik de Groote (Caecilia: Oct. en Nov. 1902) heeft men kunnen zien dat de koning van Pruisen niet alleen een hartstochtelijk fluitspeler was, maar dat hij ook als componist zich heel ijverig weerde. Bovendien interesseerde hij zich sterk voor de opera, en dichtte verschillende libretti zelf, componeerde ouvertures en aria's voor sommige opera's en sloeg allerlei wijzigingen in muziekstukken voor. Hij was de eigenlijke artistieke leider zijner opera.

Zooals echter bekend is was zijn smaak tamelijk eenzijdig, hij zwoer bij de opera's van Graun en Hasse en liet voor concert-muziek in hoofdzaak Quanz aan het woord. Die muzikale smaak van den ouden Fritz zou heel onschadelijk geweest zijn, ware het niet dat hij ook in kunstzaken van zijn kruk-stok een te groot gebruik maakte.

Nieuwe bewijzen daarvan vindt men in een boek: „Hasse und die Brüder Graun als Symphoniker" van Dr. Karl Mennicke, waarin o.a. vermeld staat dat in September 1775 Joh. Fried. Beichardt solliciteerde naar de betrekking van kapelmeester aan de opera te Berlijn. Voor dit doel informeerde Beichardt naar den smaak van Frederik de Groote en de

Sluiten