Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

299

moeilijker gaat het met het nagevoelen (nachempfinden). Dan moet men zich eerst in de oude vormen verplaatsen en indenken. Eerst wanneer men de wijze van uitdrukking van een vroegeren tijd heeft begrepen, kan men die gevoelens deelen. Alleen de kunstkenner voelt zich te huis in de muziek der vorige eeuwen, de leek nooit.

Wanneer wij een blik werpen op alles wat ons kunstgevoel van Mozart en zijn tijd scheidt, dan ziet men dat de rococo-tijd met den onzen niet veel gemeen heeft. Nauwelijks is er een eeuw verloopen en toch is het ons als zagen wij in een geheel vreemde, ver achter ons liggende periode. In dien tijd was de toonkunst nog zeer weinig de taal des harten, zooals zij dat voor ons sedert Beethoven is. Zij was, wat haar wezenlijk karakter betreft, een zuiver tonenspel. Rococo en hartstocht zijn twee geheel verschillende dingen. Rococo en tonenspel zijn hetzelfde. En dit spelend element komt zelfs in de fuga, die toen in de plaats van den canon trad, tot uitdrukking. Bach openbaart zich als de laatste geweldige vertegenwoordiger der middeneeuwsche opvatting van de polyphone dialectiek als hoogste doel der muziek. In hem drongen zich alle kunstopvattingen en kunstinvloeden der 17e eeuw nog eenmaal tot een overweldigend slotaccoord tezamen. De fuga was het Alpha en Omega van het toenmalige muziekbeoefenen en muziekgenieten.

Alles is aan de wisseling der tijden onderworpen. In harmonisch en instrumentaal opzicht heeft zich sedert Bach alles gewijzigd. Onze middelen van uitdrukking zijn honderdvoudig toegenomen. Men denke zich Bach maar eens als toehoorder van Chopin's Praeludia of Mozart als criticus van de Tetralogie van Wagner. Welke eischen stelt ons oor aan den orkestklank!

De vormen van uitdrukking veranderen. Zelfs worden zij afhankelijk van de middelen van uitdrukking. Het coloriet heeft ten allen tijde in de muziek zoowel als in de schilderkunst een gewichtige rol gespeeld. Doch, zooals Riemann zegt, zijn in den laatsten tijd de aesthetische indrukken van den klankkleur op eene wijze op den voorgrond getreden, dat men met recht van colorisme als een bepaalde kunstrichting kan spreken. Dat de verhoogde technische beheerschiug van het coloriet eene verfijning van den muzikalen kleurenzin heeft gewekt, ligt voor de hand.

Bach kende slechts het coloriet van het orgel, wiens registratie hij als een meester behandelde, ook in zijn orkest. Ook Mozart is, in historisch opzicht, een beginner in de instrumentatie. Pas met Berlioz; en Wagner ontsluiten zich de geheel nieuwe middelen van uitdrukking in de geschiedenis der orkestmuziek. De programmamuziek van onzen tijd is ondenkbaar zonder deze nieuwe vindingen. Niet alleen de geheele muzikale taal van onzen tijd, maar ook de taal van ieder instrument afzonderlijk staat in het teeken der ziele-uitdrukking. De klankencombinaties beteekenen voor ons gevoel, wat voor de tijdgenooten van Bach en Mozart de versieringskunst was.

Sluiten