Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

313

van zijn bescheiden en niet, zooals sommigen meenen, onmetelijk vermogen (dit laatste aan het adres der betoogers).

En dan vervolgt Rossini: „In Bologna heb ik gastvrijheid, vriendschap en rust voor de laatste jaren mijns levens gevonden. Bologna is mijn tweede vaderland (hij stelt deze stad hier tegenover zijn geboorteplaats Pesaro), en ik draag er roem op, dat ik, zooal niet door geboorte, dan toch door adoptie haar zoon ben. En nu zult gij, hoogeerwaarde, ook gemakkelijk begrijpen, hoe aangenaam ik getroffen ben door de uitnoodiging van de stad Bologna en hoezeer ik verlang weder binnen hare muren terug te keeren. Ware de gezondheidstoestand van mijn vrouw op dit oogenblik niet zoo zorgelijk, dan zou ik reeds aanstonds na de ontvangst van uw brief naar Bologna gevlogen zijn om alle vrienden te bedanken, maar nu veroorlooft de genoemde omstandigheid mijn vrouw het reizen niet, en mijn genegenheid voor haar belet mij, haar thans te verlaten. Maar ik hoop, dat zij spoedig hersteld zal zijn en ik dan met haar in Bologna zal kunnen komen om persoonlijk de gevoelens uit te spreken, die ik thans in een brief uitdruk."

De dankbaarheid van Rossini en zijn verlangen naar Bologna moeten intusschen niet zoo heel groot geweest zijn, daar het, zooals gezegd is, twee jaren en vier maanden duurde, voordat hij zich met zijn vrouw weder in die stad vestigde.

Waarschijnlijk waren echter ook de omstandigheden daarvan de oorzaak. Het kan zijn, dat de troebelen, die toen overal in Italië aan den gang waren, hem weerhielden, zich op reis te begeven. Rossini behoorde nu juist niet tot de helden en het reizen ging toen niet zoo gemakkelijk als thans. Hij informeert telkens naar de veiligheid van de plaatsen, waarheen hij zich wil begeven en slaakt menigmaal de verzuchting: Welke tijden; welk een wereld!

Eindelijk, in September 1850, komt het er toch toe en zal hij van Florence weder naar Bologna vertrekken. Maar eerst vergewist hij zich toch nog, of hij voor een gedeelte van den weg, dien hij moet afleggen, een geleide van vier carabinieri te paard kan verkrijgen, en of het hem zal worden toegestaan, in Bologna wapens in zijn woning te hebben.

Aan het slot van den hierboven aangehaalden brief aan pater Bassi spreekt Rossini van een Italiaansche hymne, waarvan deze geestelijke den tekst zou vervaardigen en hij de muziek. In de brievenverzameling wordt daarvan verder geen gewag meer gemaakt maar wel van een koor, door Rossini gecomponeerd en op den avond van 21 Juni 1848 op het groote plein te Bologna door de burgerwacht gezongen. Het was een gelegenheidsstuk, zooals Rossini er nog eenige geschreven heeft, nadat hij aan de compositie van degelijke werken reeds lang vaarwel had gezegd.

Nog een jaar vóór zijn dood componeerde hij zulk een gelegenheidscompositie, namelijk een Cantate a Napoléon III et a son vaillant peuple, die in 1867 tijdens de groote tentoonstelling te Parijs door artisten van de Groote

Sluiten