Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

21

SPORT IN BEELD.

— En wanneer ben je gaan roeien?

— Nou in 1894! Toen ik officier was in Amsterdam. Ik werd direct lid van „De Hoop", en ging al gauw aan race-roeien doen.

Ik dacht aan de woorden, die Brockmann in 1900 in „Het Boek der Sporten" aan Blussé wijdde, nl. deze: „Onze, tegenwoordig in Nederland het terrein beheerschende, skiffeur is de heer J. J. Blussé van „De Hoop", die reeds driemaal den kampioenstitel wist te veroveren"— en vroeg het:

— Je hebt zeker 'n macht van prijzen gewonnen ?

De sportsman glunderde.

— Ja! — antwoordde hij, met passie — Je mag gerust schrijven, dat ik de meeste prijzen in Holland en 't buitenland van alle roeiers heb gewonnen, nl. 46. Op mij volgt Prof. Damsté met 38.

— Heb je ze nog allemaal in je bezit?

— Zeker! Ik heb thuis o.a. nog een zilveren vaas, die Felix Faure, de president van de Fransche Republiek me persoonlijk heeft uitgereikt, toen ik het „Championat de la Seine" heb gewonnen.

— Wat was nou wel je aardigste, je prettigste overwinning ?

Op die vraag kreeg ik niet vlug een antwoord. Blussé talmde. Dan vertelde hij:

— Da's moeilijk te zeggen. Elke prijs geeft voldoening. Ja, daar was ik wel erg mee tevreden, toen ik in 1895 in Frankfort drie prijzen won, één in 't nummer jonge sciff, één in double-scull en één in de oude acht. En wat me ook pleizier deed, dat was in 1897, toen ik 3 October, op een Zondag, het Championat de la Seine won en 7 October de Coupe de Paris. Wat ook aardig was ? In 1902 in Berlijn! Toen kwam ik uit in de vier zonder stuurman, en roeide en stuurde ik tegelijk. Dat was ook 'n mooie wedstrijd-dag!

— Hoe lang ben je nu al voorzitter van „De Hoop" ?

— Met 1 April a.s. 30 jaar! Ik was al in 1895 bestuurslid. Ik was nog 'n jonge kerel, en zat temidden van allerlei ouwe heeren. Maar 3 jaar later werd ik toch al praeses.

— En heb je later nog wel eens aan raceroeien gedaan ?

Hij leefde weer geheel op, Blussé.

— Dat zou ik denken. In 1903 heb ik de jonge vier getraind, en meteen in de ploeg meegeroeid. In 1906 viel de tegenwoordige

directeur van de Electriciteitsbedrijven, Lulofs, uit, en ik viel maar weer in. We hebben toen het genoegen gehad, in Oudshoorn Njord, de winners van de Varsity, te kloppen. En in 1915 heb ik nog met Moltzer in 8 dagen en 7'/2 uur, den kortst en tijd, die gemaakt werd, heel Holland doorgeroeid voor de Vijf-Provinciën-Toer.

Ik wees op een „ruban" in z'n knoopsgat.

— Wanneer kreeg je die?

— De Oranje-Nassau kreeg ik in 1911, als voorzitter van „De Hoop". En het Legioen kreeg ik na den oorlog, voor mijn werk voor de Hollandsche ambulance in Frankrijk. Ik was de eerste en de jongste, die deze onderscheiding na den oorlog verwierf!

— En nu, m'n waarde Blussé, wat is je oordeel over de roei-baan bij de Olympische Spelen ?

Nu werden er wenkbrauwen gefronst.

— Laat ik er maar niet te veel in 'n interview over zeggen! Je kunt alleen schrijven, dat ik een groot voorstander van de Amstelbaan ben. Ik ken heel goed de nadeelen van den Amstel. Ik weet b.v. heel goed, dat met een zekeren wind de boei, die onder de Amsteldijk ligt, voordeel biedt, ik ben absoluut geen Amstel-chauvinist, maar de baan van Sloten biedt zoogenaamde voordeden, die nog erger zijn dan de nadeelen van de Amstel. Neem de toegangswegen, nee, de weg! Neem de omgeving! Op de Amstel alles vroolijkheid, gepavoisseerde jachten, wherries, aardige meiskes, in Sloten niets daarvan! En dan wordt het, met dat starten van maar twee booten tegelijk, een echt beulen-werk. Trouwens, verschillende buitenlanders hebben hun instemming met de Amstel-baan betuigd. Bij de wedstrijden om den Holland-beker, waarvan ik sinds 1903 voorzitter ben, won Koblo, en die was „uit" over de Amstelbaan. De Duitschers, die de twee zonder stuurman wonnen, eveneens! Enfin, er is niets meer aan te doen. We gaan naar Sloten!

Het gesprek kwam weer op de eigenlijke sport.

—■ Nou roei je toch niet meer, niet waar ? Alleen coachen, hè ?

Hij knikte:> En dan verklaarde hij dit stoere werk aldus:

— Ja! En dat wil wat zeggen. In Februari voor zes uur op, om zeven uur met de jongens aan slag, en na 1 April geregeld iederen avond.

Eigenlijk een. . . . hondenleven!

Nauwelijks had Blussé dit laatste gezegd, of hij herstelde:

— Nee! Zeg dat nou maar niet! 't Is wèl zoo. Maar aan den anderen kant heb je zoo'n heerlijke voldoening!

Blussé's toon werd al warmer en warmer. Het viel me op, dat, nu hij over zijn werk als trainer sprak, over zijn poulains, over anderen dus, hij zich meer liet gaan. Een trekje van bescheidenheid!

Even mediteerde hij. Dan sprak warm weer de donkere, prettige stem:

— Ja! Da's wel heerlijk, als je zoo krachten kweekt, en met die krachten successen boekt. Wat heb ik er niet 'n pleizier van gehad, toen ik in 1925 in Praag met Pieterse 't Europeesch kampioenschap sciff won ? Ga eens na, hoe je dat goed doet, toen in 1925 een Hoopploeg, een acht, waarin drie beginnelingen, in Oudshoorn de ploeg van Nereus sloeg, die in 1924 in Zürich het Europeesch kampioenschap had gewonnen! Dit jaar is mijn grootste succes als coach geweest, toen we bij de wedstrijden van de Koninklijke met 7 roeiers en 6 inschrijvingen, 5 eerste prijzen wisten te winnen.

Op dit oogenblik keek Blussé voldaan, gelukkig lachend, en hij zegde het met trots:

— Dat is wel het mooiste, dat ik ooit heb bereikt!

Let op, lezer, hoe deze is! Niet zijn eigen triumfen wegen 't zwaarst. Niet zijn kampioenschappen, zijn prijzen, die hij zelfs van staatshoofden ontving, zijn 't gewichtigst. Zijn heerlijkste succes is het succes van zijn jongens, die hij, Blussé, tot goede roeiers heeft gekweekt.

In deze majeur-stemming eindigde ons onderhoud. Ik had 'n frisch gevoel over me na dit gesprek. Daar had nog eens 'n ouwe rot geboomd, 'n Hollander van den degelijken stempel. Gezond, vol spirit, vol hecht en zuiver amateursbegrip waren zijn mededeelingen geweest. En het meest streelde nog het besef in hem, Blussé, dat de toekomst aan de jeugd is, en dat het heerlijk is van deze jeugd een sportief-krachtige, een gelukkige jeugd te maken. 1

De naam „De Hoop" kan eigenlijk hebben afgedaan. De hoop is verwezenlijkt. Want J: J. Blussé is de leider daar.

Brave Blanus! LEO LAUER.

Hugo Meisl en

zijn Wedstrijd.

In een onzer vorige nummers hebben wij het een en ander medegedeeld over den Voetbalwedstrijd, / dien de Oostenrijksche voetbal-official Hugo Meisl wilde laten spelen tusschen een keur-elftal van Europeesche sportsmen en een dito, samengesteld uit de „fine-fleur" van Groot-Brittannië's Voetbal.

Wij verwonderden ons in bedoeld artikel al over de samenstelling van de ploeg, welke Meisl zich had gedacht. De keuze was al hoogst bizar. Minder sterke spelers werden genoemd, sterke, zooals onze Harry Denis,

genegeerd. Trouwens — dit team zou vrijwel louter uit spelers uit Centraal-Europa hebben bestaan.

Nu echter komt Meisl met een soort van ontkenning. „De Telegraaf" publiceert haar. Meisl geeft toe, dat het bewust plan in zijn geest is gerijpt. En daar is ook niets tegen.

PUROL er op!

Als Uw Handen ruw zijn of gesprongen en Uw Lippen schraal en pijnlijk; maar vooral ook bij brand- en snijwonden, ontvellingen en allerlei huidverwondingen HET VERZACHT EN GENEEST

Integendeel! Maar aan de keuze van een elftal heeft de Oostenrijker zich niet vergrepen. Wel heeft hij in een interview eenige namen van spelers genoemd. Maar Meisl zegt het zelf: hij ziet te weinig matches in de verschillende landen om de aangewezen man te zijn voor de electie van zulk een ploeg.

En Meisl schijnt overigens zelf nog wat sceptisch te staan tegenover het project. Want hij is beducht, dat „zoo'n continentaal elftal, een dergelijk fantastisch mengelmoes van verschillende naties, volken, rassen, karakters en eigenaardigheden, nooit zelfs de meest bescheiden verwachtingen kan vervullen, en een dergelijk team zou nooit het werkelijk peil van het Europeesche Voetbal benaderen."

Sluiten