Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

23

SPORT IN BEELD

Hij had natuurlijk tot het laatste oogenblik moeten profiteeren van den laatsten jachtdag, en hoewel nu niet bepaald met een stralend gezicht, dan toch zeer lieftallig, had zijn vrouw van hem afscheid genomen, toen hij haar zijn standpunt had uiteengezet, wat kort gezegd hierop neerkwam, dat hij nu de volgende negen maanden niets meer aan z'n leven vond, aan z'n kantoorstoel was gekluisterd, geen verzetje hoegenaamd meer in het vooruitzicht had, en dat hij nu zoo vreeselijk veel tijd kreeg om 's avonds met vrouwlief naar de comedie te gaan, dat het werkelijk te gek zou zijn als hij nu dien laatsten dag niet nog eens naar hartelust kon jagen.

Bovendien — wat zou er nu eigenlijk voor verschil zijn tusschen z'n gewonen kantoor-dag, waarbij hij toch ook zoowat den geheelen dag van huis was, en het jagen, al zou dan z'n thuiskomst iets later zijn ?

Dit 's middags niet aan tafel zijn, al was die tafel al vast een beetje vroolijk opgesierd voor den komenden feest-avond, had toch het voordeel, dat hij immers geen vroolijk gezicht zou kunnen zetten met het idee niet te hebben kunnen jagen, en ja, zij moest nu niet denken, dat een man, die negen maanden in het jaar hard voor z'n vrouw en voor haar alleen werkt, een boos gezicht getoond moet worden, omdat hij nu één keer 's middags op Oude-jaar iets later thuis kwam. Hij kon toch niet helpen, dat Oude-jaar op een Zaterdag, zijn vasten jacht-dag, viel. Neen, hoor, gekheid! Zij moest nu zijn genoegen niet bederven met een zuur gezicht, wan dan bleef hij net zoo lief thuis.

Enfin, langer Reden, kurzer Sinn — hij was de deur uit, en stapte in .den wagen, die er voor stond.. . .

Aanvankelijk vlotte de, anders zoo vlotte, Zaterdag-conversatie met z'n chauffeur niet erg, want hoe gaarne ook, hij kon met dezen niet op gang komen. De reden was, dat het z'n chauffeur evenmin aanstond op Oude-jaar te moeten uitrijden, en dan nog wel om te jagen.Dat beteekende natuurlijk laat thuis komen met een geweldig vuilen wagen, die direct

Oudejaarsavond.

(Van onze Jacht-Medewerker.')

na thuiskomst moest worden schoongemaakt, afgelapt, enz., en Kees, die al jaren bij de familie was, had nu op Oude-jaar ook wel eens vrij willen hebben.

Jagen was nu wel heel aardig voor Meneer, maar wat had hij er nu aan ? Hij mocht toch niet schieten, en dan al die vuile hazen in z'n wagen was ook geen lolletje, want nooit werden ze zoo ingepakt, dat er geen sporen van haar of bloed achterbleven, en dan kwam Mevrouw natuurlijk hem de schuld geven. Enfin, volgend jaar zou er een wild-kist komen, maar wild-kist of niet, om op Oude-jaar daar achter in die boerennegerij te trekken om een paar van die vuile hazen dood te maken, dat gaf geen pas, en hij begreep best, dat Mevrouw er wat van gezegd had. Ja, Meneer keek vies, het was niet zoo als anders, d'r zat 'm wat dwars. Fijn, hij ook wat!

Meneer stuurde zelf en gaf 'm katoen, want een goede honderd kilometers moesten er op, en hoe vroeger zij aankwamen, hoe langer er kon worden gejaagd.

Eindelijk begon Meneer's tong los te raken, want hij vroeg Kees, of ze bij hem thuis ook aan Oude-jaar deden, waarop Kees vriendelijk vertelde, dat z'n vrouw altijd zorgde voor een lekker maaltje, en dat ze dit als voorpret van den avond om 6 uur 's avonds feestelijk verorberden. Op Meneer z'n opmerking, dat dat maaltje dan vanavond z'n neus zou voorbij gaan, betoogde Kees, dat hem dat vreeselijk speet, maar dat ie, omdat Meneer het zelf ook moest missen, daarin de noodige troost vond, al was en bleef het jammer, niet alleen voor z'n vrouw en hem, maar ook voor Mevrouw. Want die had er positief echt verdriet van, zooals hij wel gemerkt had.

Meneer zei, dat dit stom geklets was en dat ze vroeg thuis zouden zijn, en dat Kees zich met zijn eigen zaken moest bemoeien. Onmiddellijk hierop gooide Meneer zijn sigaar tegen de ruit, omdat hij in z'n ergernis vergat, dat deze dicht was, en de vonken-regen, die zich verspreidde, veroorzaakte verscheidene gaatjes in Meneer z'n broek, waardoor de stemming er niet op vooruit ging.

Aan het veer bleek de pont net weg te zijn, waardoor de reis een half uur vertraagd werd, en de stemming beneden nul daalde. Toen de auto de pont zou uitrijden, vertelde de veerman vriendelijk, dat een achterband leeg was, en nu klonk over het stille water Meneer's felle morgen-kracht-term, welke den slappen band niet hard maakte. Meneer stapte uit en zeide vast vooruit te zullen loopen om wat beweging te hebben, terwijl Kees de opdracht kreeg hem op te pikken als de wagen klaar was, maar Kees moest erom denken dat hij den binnenweg zou nemen, en niet den dijk, anders zou hij hem mis rijden.

Natuurlijk verstond Kees, dat Meneer gezegd had, den dijk te nemen, en begreep daarom niet, dat hij Meneer niet zag, zoodat hij besloot te keeren en den binnenweg te rijden. Meneer ontving hem daar grijnzend, en de volgende tien minuten werden gebruikt om Kees duidelijk te maken, dat hij eigenlijk geen chauffeur was, en dat Kees eigenlijk veerman moest worden, want dan kon hij zich oefenen om leege banden op te merken.

De boomen van den overweg langs de lokaalspoor gingen natuurlijk vlak voor Meneer's neus dicht, maar eindelijk dan waren ze bij den opziener, waar ze den postbode aantroffen met Meneer's brief, die zijn komst meldde.

De opziener was in het veld en moest worden opgezocht, maar om

I

Sluiten